Ik zag der Ring des Nibelungen van Richard Wagner in de regie van Dmitri Tcherniakov in de Staatsoper Unter den Linden, Berlijn op 15,16, 20 en 23 oktober 2022.

Toen ik deze Ring ging volgen was ik in tweeërlei opzicht bevooroordeeld.

In de eerste plaats hoopte ik dat deze Ring goed zou zijn.  In het voorjaar van 2023 begeleid ik immers een cultuurreis van het Davidsfonds naar Berlijn en naar de Ring van Tcherniakov. Ik zou het Ring gedeelte begeleiden en het is natuurlijk interessanter om vooraf te kunnen vertellen dat het om een interessante Ring gaat.

Anderzijds was er de regisseur Dmitri Tcherniakov. Een paar jaar eerder had ik in de Muntschouwburg te Brussel Il Trovatore van Verdi in een regie van Tcherniakov gezien. Dat was me toen erg tegengevallen. Het verhaal speelde zich af in een woonkamer rond een sofa. Ik vond deze voorstelling totaal niet beklijvend en tot overmaat van ramp zong Leonora (Marina Poplavskaya) de top aria ‘D’amor sull’ali rosee’ met de rug naar het publiek. Dat men de topfavorieten om scenische redenen de toparia’s niet op de rand van het podium laat brengen, vlak voor de neus van het publiek – wat we als publiek soms wel zouden willen – tot daaraantoe, maar met de rug naar het publiek?! Dat vond ik ongehoord. Ik was dus op zijn minst op mijn hoede voor deze Tcherniakov.

Twee vooroordelen dus. Nu is een mens soms onderhevig aan wat men ‘confirmation bias’ noemt, men gaat effectief zien wat men verwacht en/of vreest. Ik zat dus wel goed; enerzijds hoopte ik op een goede ring en was ik gepredestineerd om hem goed te vinden; anderzijds was ik er bang voor dat hij niet goed zou zijn omwille van de regisseur. Ik zat ergens in het midden. Wat werd het?  Het werd goed.

Laten we beginnen met de decors.

Het hele verhaal speelt zich af in een ‘onderzoekscentrum’ (‘Forschungslabor’). Voor de aanvang van elk bedrijf zien we een soort van screensaver. Het is het grondplan van het onderzoekscentrum. We zullen verder zien dat het onderzoekscentrum betrekking heeft op het testen van menselijk gedrag onder extreme omstandigheden. Het centrum heeft een naam E.S.C.H.E. Ik kan me niet herinneren waar de afkorting precies voor staat. Maar het is natuurlijk een verwijzing naar de ‘Weltesche’, de wereldesboom die in het verhaal van de Ring zo een belangrijke symbolische functie heeft. We zien auditoria, vergaderruimtes, stockageruimtes, woonvertrekken, labo’s, wachtzalen, … allemaal aparte ruimten die kunnen draaien om hun as, heen en weer verschuiven en omhoog en omlaaggaan. We zien meerdere ruimtes naast en boven elkaar.  Speciaal te vermelden is een grote aula met centraal daarin een boom die naar we aannemen de wereldesboom voorstelt, hoewel die boom op zich in het hier gebrachte verhaal geen verdere aandacht krijgt, tenzij dan als naam van het onderzoekscentrum.   Het onderzoekscentrum wordt bevolkt door de protagonisten van het verhaal, maar ook door ernstig kijkende ambtenaren en wetenschappers. De kostuums die ze aanhebben dateren van de jaren zeventig.  Sommige commentatoren zien er ook linken in naar de DDR van weleer. Wanneer in Götterdämmerung de goden plaats maken voor de mensen, nemen deze laatste het centrum over. De kleding is dan hedendaags. De ruimten zijn nog dezelfde, maar sommige hebben duidelijk een opfrisbeurt en een andere bestemming gekregen (zo bijvoorbeeld de hal van de Gibichungen).

Openingsscène

Na het weerklinken van het embryonale natuurmotief gaat het doek op. We bevinden ons in een auditorium waar een publiek kijkt naar een MNR, (of zoiets) van hersenen. Deze hersenen lijken op iets te reageren. Vervolgens verschuift het toneel en komen we terecht in een ‘experimentele’ ruimte. De drie als technische assistentes uitgedoste Rijndochters maken hun opwachting. De Nibelung Alberich zit vastgebonden in een cabine, een ‘Stress Labor’.  Met elektroden is hij ingeplugd op een meetmachine. Van alle emotie verstoken wetenschappers observeren hem nauwgezet. Alberich heeft een donkere (virtuele?) bril op en schijnt op een en ander te reageren. Het duurt niet lang vooraleer hij interageert met de drie Rijndochters. Van hier af kent het verhaal zijn normale verloop. De drie Rijndochters verleiden om beurten Alberich om hem dan vervolgens een blauwtje te laten oplopen. Alberich raakt totaal opgewonden. Wanneer hij voor de derde keer gedumpt wordt rukt hij zich razend los en slaat hij de hele boel aan diggelen. Hij gaat er vandoor met iets wat het goud moet voorstellen. Prachtig geregisseerd. De muziek klonk daarbij naar mijn aanvoelen helderder dan ooit. De scenische vorm doet helemaal niets af aan de inhoud. Ik zou zelfs zeggen dat dit beter is dan een onderwater scène met zwemmende Rijndochters, een scéne  die sowieso  niet te regisseren valt (getuige de Ring van Audi in Amsterdam).

De acteurs/zangers

De zangprestaties waren behoorlijk. Alleen Watson als Siegmund en Villazon als Loge vielen mij tegen. Michael Volle schitterde als onverwoestbare Wotan in zang- en acteerwerk en hetzelfde geldt voor Anja Kampe als Brünnhilde en Andreas Schager als Siegfried. Hoewel deze laatste zich wel bezondigde aan overacting, waarbij men zich de vraag kan stellen of dat ook niet aan de figuur van Siegfried zelf ligt die ‘an sich’ ook wel last heeft van het ADHD – syndroom. Soms stel ik me de vraag of een rol als die van Siegfried überhaupt wel geloofwaardig te ensceneren is. Persoonlijk krijg ik van die ‘held’ in ieder geval geen hoogte.

De rest van de cast presteerde van behoorlijk tot goed. Mocht ik punten geven zoals ik dat als lector op school deed dan zou dat er ongeveer als volgt uitzien: Michael Volle (Wotan) (18/20), Anja Kampe (Brünhilde) (16/20) en Andreas Schager (Siegfried) (16/20), Johannes Martin Kränzle (Alberich) en Anna Kissjudit (Erda) (15/20), Vida Mikneviciute (Sieglinde), Anett Fritsch (Freia), Claudia Mahnke (Fricka), Mika Kares (Hunding/Hagen/Fasolt) (14/20), Watson (12/20), Villazon (9/20).

De dirigent

De dirigent krijgt 16/20. In principe was deze productie bedoeld om de 80-jarige Daniel Barenboim te vieren. Maar op 80 jaar pleegt de motor als eens te sputteren en dat was nu niet anders. Wegens ziekte liet Barenboim verstek gaan en werd hij in de eerste cyclus vervangen door de bekende Christian Thielemann. De cyclus die ik zag werd gedirigeerd door de 29-jarige (!) Thomas Guggeis. Die leverde m.i. een topprestatie. De muziek klonk in combinatie met de scenografie onnavolgbaar helder, in perfect evenwicht met de zang en niet te luid. Dat kan soms wel eens anders zijn. Ik moet toegeven dat mijn schaal van vergelijking wat subjectief is. Ik leg even uit. Door een gehoortrauma ooit opgelopen tijdens een te luid blues-festival heb ik last van oorsuizen, tinnitus.  Om mijn oren te beschermen voor verdere schade gebruik ik wanneer nodig oordoppen, maar ik had ze deze keer niet nodig. Het aantal decibels was aanvaardbaar. Ter vergelijking: nadat ik de eerste drie opera’s van Wagners Ringcyclus (Das Rheingold, Die Walküre en Siegfried) had bijgewoond ging ik tussendoor in de Staatsoper naar Verdis Il Trovatore kijken. Bij de Verdi opera had ik mijn oordoppen wel nodig. De plaats waar ik zat kan er niet toe gedaan hebben, die was min of meer dezelfde. Het kan aan de dirigent gelegen hebben of misschien ook aan het feit dat er in Il Trovatore veel koorgezangen voorkomen, terwijl dat in de drie genoemde Wagneropera’s, op de Walkürenrit na, niet het geval is. Maar allicht lag het toch aan de dirigent. In Götterdämmerung zit ook een koor en ook daar was het geluidsniveau aanvaardbaar. Duitse Wagnervrienden uit Berlijn vertelden mij overigens dat Barenboim als hij had kunnen dirigeren en wel een luidere lap zou opgegeven hebben. Ik weet natuurlijk niet of dat waar is. Ik was gelukkig met Guggeis.

 Parodie

Er zit veel humor in deze productie: scènes die op zich statisch en zwaarwichtig zijn worden geparodieerd. Ik beschrijf een van die scènes wat meer in detail. Na de confrontatie tussen Siegfried en Wotan in het begin van de derde act van Siegfried gaan de decors opnieuw aan het verschuiven. Terwijl de muziek het beklimmen van de rots van Brünnhilde door Siegfried suggereert zien we in het linkerdecor Siegfried driftig in archiefkasten zoeken naar een plan om zijn weg naar de rots van Brünnhilde te vinden. Rechts van dat decor krijgen we inmiddels dezelfde experimentele ruimte voorgeschoteld met de cabine waarin Alberichs gedrag getest werd. In de cabine staat deze keer enkel een draagbaar; voor de rest is ze leeg. Aan weerszijden hangt een plakkaat met het opschrift ‘Schlaflabor’. Plotseling komen Brünhilde en Wotan die cabine goedlachs binnengewandeld. (Brünnhilde schijnt alle tijd daarvoor dus niet geslapen te hebben – een dichterlijke vrijheid van de regisseur). Brünnhilde neemt een rode stift en tekent de contouren van vlammen op de ramen van deze cabine. Vervolgens legt ze zich op de draagbaar waarop Wotan haar toedekt met een zilverkleurig deken. Wotan wrijft liefdevol met zijn hand over Brünnhildes hoofd en verdwijnt. Brünnhilde slaapt in. Wanneer Siegfried vervolgens de cabine betreedt parodieert deze op zijn beurt zijn eigen gedrag.  Ook wanneer Brünnhilde wakker wordt gaat de parodie verder. Voor ze haar “Heil dir Sonne”, “Heil dir, Licht “, “Heil dir, leuchtender Tag” zingt kondigt ze met gebarentaal aan dat ze iets gewichtig zal doen. Terwijl ze die lijnen dan zingt kunnen Siegfried en Brünnhilde zich niet inhouden van het lachen. Na elk vers, weerklinkt een lachsavo. Maar zodra Siegfried informeert naar zijn moeder, “So starb nicht meine Mutter?” blijft de parodie achterwege en krijgen we wat we echt verwachten: Wagneriaanse ernst en emotie! De overgang van parodie naar ernst geschiedt onopvallend. De muziek klinkt bij dit alles, ook tijdens de parodiërende stukken, zeer helder. Ik genoot ervan.

Dergelijke parodiërende scènes zitten er veel in. Nog twee voorbeelden:  

Wanneer Alberich zich in een draak verandert doet hij dat met gebarentaal; zoals een volwassene een draak nabootst wanneer hij een kind wil uitleggen wat een draak is. En wanneer op het einde van Das Rheingold de goden de brug slaan naar het Walhalla, doen ze dit met wat gadgets die ons eerder herinneren aan Karnaval dan aan een echte regenboogbrug.

Voor mij kon dit. Om te beginnen bleef de muziek bij dit alles helder klinken. Wie de muziek kent weet bovendien waar het om gaat. En men moet Wagner niet al te serieus nemen. Bovendien maakt dit soort scènes deze 16 uur durende onderdompeling draaglijk.  Belangrijker nog is de vaststelling dat Tcherniakov met zijn parodieën geen afbreuk doet aan wat Wagner werkelijk bedoelt en dat hij er op tijd weet mee te stoppen om dan onopvallend de overgang te maken naar de ernst van de zaak: de psychologische tekening van de personages en bovenal de emoties. In Tcherniakovs regie is vreugde echte vreugde; liefde echte liefde; angst echte angst; haat echte haat; verdriet echt verdriet. En dat wordt dus niet alleen door de muziek gesuggereerd maar met echt goed acteerwerk. Muziektheater dus.

Emoties: angst, verwondering, verdriet

Een paar voorbeelden van hoe de emoties primeren.

Verkrachting is een basisthema in de Ring. De angst ervoor is in hoofde van Brünnhilde, Sieglinde en Freia zichtbaar, op het tastbare af. De slotscène van act 1 van Götterdämmerung waarin Siegfried zich aan Brünnhilde vergrijpt, grijpt naar de keel.

Verwondering, twijfel en ongeloof zijn dan weer de toonaangevende emoties in de scène van de eden op Hagens speer in act 2 van Götterdämmerung. De scène grijpt plaats in het auditorium. Een speer is niet te zien; Brünnhilde zweert haar eed met de vuist op de borst en de scène wordt door alle omstanders (het koor van het volk) met mobieltjes   gefilmd. Om te beginnen heeft deze scène een onbetwistbare naturel. Het koor (het volk) lijkt zo uit de publieksruimte van de opera op het podium te zijn gestapt. Dit verhoogt de betrokkenheid. Een aanvankelijke sfeer van vervreemding maakt plaats voor een sfeer van verwondering, twijfel en ongeloof, wat de bedoeling is van deze scène. Dit blijkt te meer wanneer het koor de bühne verlaat om de drie protagonisten Brünnhilde, Gunther en Hagen alleen te laten. De gelaatsuitdrukkingen en de bewegingen van de koorleden geven blijk van de grootst mogelijke verwarring en dat zonder overacting.

Verdriet tenslotte. Tot nu toe had ik tijdens de treurmars in Götterdämmerung nooit eerder kippenvel gekregen. Dat gebeurde nu wel. Siegfried ligt op een draagbaar van een   ambulance in de cabine van de experimentele ruimte. Op zich een weinig poëtisch zicht. Maar dan maakt eenieder die een rol speelt in de Ring (althans de good guys) zijn opwachting. Het volk, (medewerkers van het onderzoekscentrum), de drie Rijndochters, de drie schikgodinnen (de Normen) Erda en tenslotte Wotan, allemaal komen ze eer betuigen en rouwen. Het verschijnen van Erda, op de tonen van het Siegfried motief, is ontroerend en voelde bij mij aan als thuiskomen. En het verdriet voor de vermoorde held is onvervalst en tastbaar.

Voor beginners of gevorderden?

Een kritiek op deze Ring luidt dat het mythische en het symbolische helemaal verdwenen zijn. Daar is wat van.  Van de drie oersymbolen: vuur, water (de Rijn) en aarde (Erda) is weinig te zien. Erda maakt haar opwachting natuurlijk wel wanneer dat van haar verwacht wordt maar van het mysterieuze waar haar verschijning mee gepaard gaat (zie het duistere Erda-motief) blijft niets over. Met belangrijke symbolen als speer, zwaard en ring wordt slordig, op niet consistente manier omgesprongen. De ene keer zien we ze, een andere keer niet en daar zit weinig logica in.  En het parodiëren van bepaalde toestanden geeft de kijker die het verhaal niet kent ook weinig houvast. Wanneer Alberich zich verandert in een draak, dan doet hij dat louter met gebarentaal en wordt er geen draak getoond. Als toeschouwer moet je op de hoogte zijn van het verhaal om dit te begrijpen. Als men een nadeel van deze enscenering wil aangeven dan is er dat een. Maar meer algemeen kan men de vraag stellen of de ensceneringen zodanig moeten zijn dat diegenen die het verhaal nog niet kennen mee kunnen? Of mogen we ervan uitgaan dat wie naar een Wagner opera gaat kijken vooraf goed geïnformeerd is over wat hij/zij zal zien en wat niet? Van Wagner zelf weten we dat hij zichzelf een publiek creëerde en dat hij voortdurend tekst en uitleg gaf over zijn producties voor hij die op het publiek losliet.

In dit opzicht steekt deze productie gunstig af bij de Schwarz enscenering in Bayreuth voorbije zomer. Zelfs mensen die het verhaal kennen begrepen er zonder toelichting vooraf niets van. Bij Tcherniakov had wie bekend is met verhaal in ieder geval geen voorafgaandelijke toelichting nodig.

Conclusie

De Ring van Berlijn was een Gesamtkunstwerk die naam waardig. Het muzikale luik was sterk en dat geldt ook voor de regie, de decors en de kostuums. De sterke kant van Tcherniakov betreft zijn goede psychologische tekening van de protagonisten, de sterke nadruk op de emoties en het voortreffelijke acteerwerk. Tcherniakov brengt hier echt muziektheater met wat ik al bij al een redelijk klassieke enscenering zou willen noemen. Ik zou nog heel wat sterke scènes kunnen aanhalen, maar dan ga ik ‘spoilen’. Ik laat het hierbij.

Arte TV

De Ring van Tcherniakov is inmiddels op Arte TV te bekijken, nog tot 17/02/2023. Met Franse, Engelse en Duitse ondertiteling. Het is een aanrader.

De link voor Das Rheingold:

https://www.arte.tv/fr/videos/110877-000-A/richard-wagner-l-or-du-rhin/