Voorbij het narratief van neergang

Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Ertsberg ‘Reset’ het opus magnum van prof. emeritus Mark Elchardus. Ik kijk enorm uit naar dit boek. De voorbije jaren had ik het genoegen Mark Elchardus op verschillende van zijn lezingen te mogen inleiden. Daar waren in de week van 5 december 2016 ook twee lezingen in de Kempen bij. De eerste op 6 december in het kader van de Universiteit Derde leeftijd aan Thomas More, campus Geel, en de tweede op vrijdag 9 december voor de Orde van den Prince, afdeling Kempen, te Kasterlee. Elchardus besprak toen telkens zijn in 2015 verschenen boek ‘Voorbij het narratief van neergang’, uitgegeven bij Lannoo Campus. Ik maakte daar toen volgend verslag van. Misschien relevant om dat nog eens onder de aandacht te brengen.

De lezing van professor Elchardus handelde over de toekomstverwachtingen en de toekomstwensen van jongvolwassenen. Anno 2013 deed professor Elchardus hierover uitgebreid onderzoek. De bevindingen schreef hij neer in zijn boek: “Voorbij het narratief van neergang”. Tijdens de lezing gaf Elchardus een overzicht van de belangrijkste resultaten van dat onderzoek.

Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen: de wensen en verwachtingen van jongvolwassenen met betrekking tot het  persoonlijke leven (job, loopbaan, gezin, kinderen, woning, woonomgeving, vrijetijdsbesteding…) enerzijds; en de verwachtingen van dezelfde jongvolwassenen met betrekking tot de gang van zaken in de samenleving anderzijds. Tegelijk werd gepeild naar hun wensen over de inrichting van de samenleving.

De enquête betrof een bevraging van 1964 jongvolwassenen, alle inwoners van België en tussen 25 en 35 jaar oud.

Tijdens de lezing zoomde de professor in op volgende vragen en antwoorden:

  1. Welke zijn de verwachtingen met betrekking tot het persoonlijke leven?

2. Welke zijn de verwachtingen met betrekking tot de gang van zaken in de samenleving?

3. Welke samenleving wil men?

4. Wie of wat kan helpen bij het verwezenlijken van de verwachtingen met betrekking tot het persoonlijke leven?

5. Wie of wat kan helpen bij het verwezenlijken van de verwachtingen met betrekking tot de samenleving?

Wat de verwachtingen ten aanzien van het persoonlijke leven betreft valt volgens de professor vooreerst een groot persoonlijk optimisme op.

Een goede 80% van de ondervraagden rekent erop de levenskwaliteit van de ouders te evenaren of te overtreffen. Globaal genomen omschrijft Elchardus deze generatie als een 75-25- generatie: 75 % die het zonder meer goed stelt en 25 % die het moeilijk heeft tot heel moeilijk.

Er is daarbij sprake van grote ongelijkheid. De sociaaleconomische kwetsbaarheid is veel groter bij de moslimbevolking, de laaggeschoolden en de Franstaligen. Wanneer men die drie kenmerken samenneemt (moslim, laaggeschoold en Franstalig), dan is 45 % werkloos. Daartegenover staat de combinatie van niet-moslim, Nederlandstalig en hooggeschoold waar maar 3% werkloos Is.

Afgezien van deze ongelijkheid stelt Elchardus dat het deze generatie globaal genomen goed gaat.

Om de verwachtingen over de maatschappelijke ontwikkelingen te meten werden de jongvolwassenen meerdere vragen voorgelegd.

Hier zijn de verwachtingen niet optimistisch, Elchardus stelt dat ze ronduit zwart zijn. Zo acht 90 % of meer het waarschijnlijk dat steeds meer bedrijven naar lagelonenlanden trekken, dat de pensioenen en de werkloosheidsuitkeringen lager zullen worden en dat de opwarming van de aarde voor steeds meer rampen zal zorgen. 80 à 90% gaat er van uit dat we steeds meer uren per week zullen moeten werken en dat de mensen die nog werk hebben, minder werkzekerheid zullen hebben. 70 à 80% stelt dat de werkloosheid nog zal toenemen, dat wie werk heeft onder slechtere arbeidsomstandigheden zal werken en dat grote groepen moslims zich niet zullen aanpassen aan de Europese cultuur en gewoonten. 60 à 70% tenslotte gaat ervan uit dat de relaties tussen moslims en niet-moslims in Europa gewelddadig zullen worden, dat terrorisme steeds meer slachtoffers zal maken en dat de onveiligheid zal toenemen. Noteer dat het onderzoek plaatsvond (2013) voor de aanslagen bij ons te lande.

Volgens Elchardus is hier sprake van declinisme, een geloof dat de samenleving in een neerwaartse spiraal zit.  Of er echt neergang is laat hij in het midden. Dat is voorwerp van discussie, de literatuur desbetreffend wordt met de dag ruimer. Maar het leeft natuurlijk in de hoofden van de mensen als perceptie van wat er gebeurt en het is dat geloof en de gevolgen van dat geloof waar Elchardus het over heeft.

In dit verband rijzen twee vragen: wat bevordert het declinisme, is het meer bepaald een gevolg van persoonlijke bestaansonzekerheid? En wat zijn de gevolgen van dit declinisme?

Vandaag hanteert men gemakkelijk de these van de verliezers van de globalisering en de modernisering. De these luidt dat sommigen – vooral laaggeschoolden – door modernisering en globalisering in een zwakke sociaaleconomische positie belanden en bestaansonzeker worden. Daardoor ontwikkelen ze een negatieve kijk op de gang van zaken in de samenleving. Tenslotte brengt dat hen ertoe te stemmen voor xenofobe en populistische partijen.

Elchardus toont met zijn onderzoek aan dat deze these niet opgaat. Het is niet de persoonlijke bestaansonzekerheid die leidt tot declinisme en populisme; het omgekeerde is het geval. Het is het geloof in maatschappelijke neergang dat mensen bestaansonzeker doet voelen, in grote mate ongeacht hun sociaaleconomische situatie. Dit leidt dan vervolgens tot populisme en xenofobie.

Elchardus poneert dat de ondervraagden wel degelijk een verschil kunnen maken tussen een oordeel met betrekking tot hun eigen situatie en een oordeel met betrekking tot de algemene gang van zaken in de samenleving. Wanneer de ondervraagden hun eigen situatie inschatten is dat op basis van de eigen levensomstandigheden. Wanneer ze een oordeel vellen over de maatschappelijke ontwikkeling is dat op basis van wat er met anderen gebeurt en dat is dan vooral op basis van wat de media daarover berichten. De media hanteren een declinistische bril in die zin dat ze vooral de nadruk leggen op wat er verkeerd loopt. Elchardus verwijst ook naar de trieste pedagogie van de politiek. Die ziet overal steeds bedreigingen. Zowat alles is steeds ‘in gevaar’: voor de groenen is dat het klimaat, voor de socialisten de sociale zekerheid, voor de liberalen het economisch draagvlak, voor de nationalisten de identiteit.

Samengevat: het is niet persoonlijke bestaansonzekerheid die tot xenofobie en populisme leidt. Xenofobie en populisme zelf zijn een gevolg van het geloof in maatschappelijke neergang en dat laatste staat los van de eigen sociaaleconomische situatie.

In de enquête werd ook bevraagd welke samenleving de jongvolwassenen willen. Het antwoord luidt een samenleving die groen is, links, Belgisch en sterk gemeenschapsafbakenend. Met dit laatste wordt bedoeld dat immigranten die legaal het land binnenkomen pas sociale rechten krijgen als zij de taal van het land kennen en minstens drie jaar gewerkt hebben. De jongvolwassenen zijn verder sterk verdeeld over Europa en veiligheid.

Links en gemeenschapsafbakenend gaan in onze samenleving echter niet samen in die zin dat er geen politiek aanbod voor bestaat: kosmopolitisme is links, gemeenschapsafbakening is rechts. Er zijn geen politieke partijen die tegelijk links zijn én gemeenschapsafbakenend.

Tot slot legt Elchardus twee bronnen van politieke vervreemding bloot.

De eerst bron van vervreemding betreft het wantrouwen van de bevraagden ten aanzien van de politiek. Zo zegt 48% van de jongvolwassenen dat gaan stemmen geen zin heeft omdat de politici toch geen rekening houden met de mening van de mensen; 10% zegt geen politieke opvatting te hebben; en een andere 24% dat ze niet zullen gaan stemmen, blanco of gewild ongeldig zullen stemmen. Daarnaast is er een zeer grote vatbaarheid voor een populistisch discours.

De tweede bron van politieke vervreemding heeft te maken met het antwoord dat de bevraagden zelf geven op de vraag wie toekomst helpt te maken.

Om de persoonlijke toekomstwensen en toekomstdromen te helpen verwezenlijken rekent men op zichzelf, de partner, de familie en een portie geluk. De maatschappij is er voor de bevraagden   een van de persoonlijke verantwoordelijkheid. Op de politiek rekent 16%, op God 13%.

Op de vraag op wie men rekent om de gewenste maatschappelijke toekomst vorm te geven wordt al wat meer verwezen naar de overheid, maar toch vooral naar wetenschap en technologie. Op de politiek rekent hier nog altijd maar 36% en 34% helemaal niet. Maar, zo stelt Elchardus, wetenschap en techniek volstaan niet om te kunnen voorzien in een goede baan, werkzekerheid, een veilige buurt, degelijk onderwijs voor de kinderen, goede verzorging bij ziekte. Daarvoor is vooral nood aan politieke en collectieve actie en daarin geloven de jongvolwassenen niet. Dat is de tweede bron van politieke vervreemding.

Omdat men beseft dat voor de maatschappelijke neergang geen technologische oplossing bestaat, blijft men aldus Elchardus gekluisterd aan neergang.

Er wacht ons dus een dubbele taak zo stelt hij: de dubbele politieke vervreemding bestrijden en het declinisme bestrijden. Als voorbeeld verwijst hij naar een concreet initiatief: een essaywedstrijd van P&V-stichting: (www.stichtingpv.be)

Een tip die de professor tijdens de vragenstonde bij Thomas More nog meegaf is dat het onderwijs meer moet inzetten op discussie en dat het daarbij de controverse en het conflict niet uit de weg mag gaan. Er wordt alleen gepraat over dingen die niet controversieel zijn, zoals het klimaat. Controversiële thema’s worden gemeden, conflictvermijding lijkt wel de boodschap. Daardoor ontstaat een valse indruk van consensus.  Hoewel ik zelf links ben, zo merkte hij tot slot op, blijkt ons onderwijzend personeel vooral groen en links te zijn. Wat meer diversiteit op dat vlak zou geen slechte zaak zijn.

Piet Lamberts-Van Assche

Mol 07/06 /2017

Voorbij het narratief van neergang | Uitgeverij Lannoo

De vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) en Afghanistan

Een hooggeplaatste officier van het Belgisch leger verklaarde vorige week dat de evacuatie van meer dan duizend mensen uit Afghanistan een ‘goed gevoel’ gaf. Daarmee ligt de focus op wat wij hier en nu doen. Maar het echte werk begint pas.  In dit artikel tracht ik vooruit te blikken en na te gaan wat er te doen staat. Opvang ter plaatse en een meer internationale aanpak (UNHCR) zijn nodig.

Er is dezer dagen in de media (sociale en andere) heel wat te doen rond vluchtelingen uit Afghanistan. Het draait daarbij vooral rond de vraag wie wij op dit ogenblik naar ons land overbrengen. Er zijn dringende en goede redenen bepaalde mensen (‘fixers’, ‘medewerkers’ en familie) te laten overkomen. Ten aanzien van sommige mensen hebben we een ethische en politieke verplichting. Maar onze blik moet ook verder reiken dan dat. Een foto van één huppelend meisje op een Belgische luchthaven geeft ons een goed gevoel, maar mag de aandacht niet afleiden van de duizenden die in Afghanistan achterblijven. Ik zie geen aandacht voor de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, de zogenaamde UNHCR (United Nations High Commissionar for Refugees). Uiteindelijk is de zorg voor vluchtelingen een internationale verantwoordelijkheid en begint veel bij deze vluchtelingenorganisatie. Ter plekke zorgt zij voor bed, bad en brood, maar ook voor de verdere opvang en verzorging van vluchtelingen in zogenaamde kampen in Afghanistan zelf en in de buurlanden. Kinderen moeten in die kampen onderwijs krijgen en volwassenen opleiding en werk. Er zijn goede redenen om te pleiten voor een optimale en maximale opvang van vluchtelingen ter plaatse en in de buurlanden. Dit is alvast de stelling van de Oxford professoren Paul Collier en Alexander Betts in hun in 2017 verschenen boek ‘Refuge, Rethinking Refugee Policy in a changing World’. In dat boek nemen Collier en Betts het wereldwijde vluchtelingenbeleid op de korrel. Ze zoemen daarbij in op het leven in de vluchtelingenkampen en formuleren interessante, vooral economische adviezen om die kampen om te vormen tot wat zij ‘florissante economische zones’ noemen. De Westerse landen (eigenlijk alle landen, maar ik maak mij wat dat laatste betreft weinig illusies) moeten de uitbouw van die kampen gul ondersteunen door hulp aan de UNHCR en de buurlanden (Iran, Pakistan, Turkmenistan, …).  Vanuit die kampen kan de internationale gemeenschap dan na verloop van tijd en door bemiddeling van de UNHCR verder beslissen wie voor eventuele hervestiging naar derde landen in aanmerking komt. Op dat moment kan onze gastvrijheid beginnen spelen.

Maar de UNHCR wordt veronachtzaamd. De financiering van de UNHCR is niet structureel. Wanneer zich ergens een crisis voordoet moet zij op zoek gaan naar sponsors. Meestal vindt zij die wel wanneer de vluchtelingencrisis in de aandacht komt en emoties opwekt, maar de middelen slinken snel naarmate de crisis voortduurt en uit de aandacht verdwijnt.  De grootste donoren van de UNHCR zijn overigens de Scandinavische landen. In 2019 schonken Denemarken, Zweden, Noorwegen respectievelijk 16, 15 en 14 dollar per burger. Ter vergelijking: de VS en Australië schonken respectievelijk 5 en 2 dollar per burger. Duitsland, België en Frankrijk respectievelijk 3, 2 en 1 dollar.   De dotaties komen vooral van de overheden in de verschillende landen. Particulieren kunnen ook bijdragen maar die bijdragen zijn doorgaans zeer gering.

Ik mis bij onze opiniemakers en politici de focus op de internationale dimensie van de problematiek en op de UNHCR. Men kan veel doen voor de enkelingen die men naar het eigen land haalt, maar dat zijn hoe dan ook altijd maar weinig mensen vergeleken met het totale aantal die hulp nodig hebben en ter plekke blijven. Men schijnt ook niet te beseffen dat elke euro die wij hier te lande uitgeven het meervoudige opbrengt (5 à 10 keer meer) wanneer die gespendeerd wordt aan opvang, begeleiding en empowerment van vluchtelingen in de regio van oorsprong. Nog eens, het is goed en noodzakelijk mensen te laten overkomen, maar gevolgen-ethisch bekeken is een goed uitgebouwde opvang in de onmiddellijke regio een even grote noodzaak. Een eigen ethisch welbevinden dat gepaard gaat met het overbrengen van mensen is meegenomen, op termijn telt echter het grootst mogelijke goed realiseren voor het grootst mogelijke aantal.

Asiel, Europa en Afghanistan

Dezer dagen lezen we in de krant dat men ‘vreest’ dat de crisis in Afghanistan zal leiden tot een nieuwe ‘vluchtelingenstroom’. Een mooie aanleiding om het te hebben over Europa, asiel en vooral over twee foute ideeën in verband met asiel.

Twee foute ideeën over asiel.

In ons land en bij uitbreiding in het hele vrije Westen circuleren twee foute ideeën over asiel .

De eerste foute idee is dat wij het succes van een asielbeleid moeten aflezen aan het beperken van het aantal asielaanvragen . De grootste bekommernis lijkt te zijn het voorkomen van allerlei aanzuigeffecten. Deze houding is fout.  Als rijk, welvarend en vooral democratisch land zouden we fier en blij moeten zijn dat mensen die ergens wegvluchten bij ons asiel komen vragen. 

De andere foute idee bestaat hierin dat wij onze plicht om asiel te verlenen enkel kunnen realiseren wanneer we asielzoekers ook effectief in ons eigen land opnemen en daar de meeste van onze inspanningen op richten. Sommigen lijken maar gelukkig te zijn wanneer asielzoekers hier kunnen verblijven. Ook deze idee is fout.

Wij moeten van deze twee foute houdingen af geraken.

Maar wat houdt asiel precies in?

Betekenis van asiel.

Mensen hebben recht op asiel. Het betekent concreet dat mensen die in hun eigen land vervolgd worden of gevaar lopen vervolgd te worden elders een veilige toevlucht kunnen zoeken.

De plicht om die mensen te helpen is een deontologische plicht die onvoorwaardelijk geldt. Ik geef een voorbeeld. Stel dat u langs een rivier passeert en u ziet een kind verdrinken. Als u zonder zelf gevaar te lopen kan zwemmen dan zal u dat kind redden. Waarom? Wel, gewoon daarom, omdat u vindt dat het uw plicht is.  Die plicht is ook onvoorwaardelijk: u zal bv niet vooraf aan het kind vragen u voor de bewezen dienst te betalen.

Die plicht zoals hier omschreven is een morele plicht. In de verhouding tussen landen heeft die plicht haar juridische neerslag gevonden in het vluchtelingenverdrag van Genève, hier kortweg de Conventie van Genève of het vluchtelingenverdrag genoemd. De conventie van Genève is ook gebaseerd op het internationaal gewoonterecht.  Wanneer men het heeft over het helpen van vluchtelingen spreekt men ook wel het ‘nakomen van internationale verplichtingen’.

Maar wat houdt die plicht tot redden zoals bedoeld in het vluchtelingenverdrag nu specifiek in en wat houdt ze niet in?

De plicht tot redden houdt drie zaken in.

Ten eerste dat de vluchteling niet teruggedreven mag worden naar de plaats waar hij of zij gevaar loopt (U duwt het kind niet terug in het water). Men noemt dat het principe van non- refoulement (art 33).  Ten tweede dat de vluchteling een pad naar burgerschap krijgt aangeboden (art 34).  Dat betekent dat het ontvangende land ernaar streeft dat de vluchteling ofwel terug kan keren naar het land van herkomst, ofwel dat hij zich duurzaam kan vestigen in het gastland, ofwel dat hij, als niets anders mogelijk blijkt, zich kan hervestigen in een derde land. Het zogenaamde ‘resettlement’.

Ten derde houdt de plicht ook in dat de vluchteling bed, bad en brood krijgt. Dat staat niet uitdrukkelijk in het verdrag, maar het ligt wel logisch in de gang der zaken besloten.

Het principe dat een vluchteling niet mag teruggedreven worden (non-refoulement) zou de indruk kunnen wekken dat een land vluchtelingen alleen moet helpen wanneer zij vanuit een aangrenzend land asiel komen aanvragen. Dat is echter niet zo. Het vluchtelingenverdrag bepaalt in de preambule dat vluchtelingen een internationale verantwoordelijkheid zijn[1]. Het zijn dus niet alleen de landen waar vluchtelingen toevallig komen ‘aangespoeld’ die hulp moeten bieden. Ook andere landen moeten helpen.  Dit kunnen ze doen door de ‘gastlanden’ financiële of andere hulp te bieden, of door natuurlijk zelf ook mensen op te nemen.  In die zin kan men stellen dat Europa er bij het uitbreken van de Syrische burgeroorlog verkeerd aan deed landen als Turkije, Libanon en Jordanië die vele vluchtelingen uit Syrië opnamen niet te helpen. Europa stond erbij, keek ernaar en deed niets. Europa en bij uitbreiding de internationale gemeenschap schond de Conventie van Genève. Indien Europa geholpen had zou ook de exodus van Syriërs richting Europa niet hebben plaatsgevonden, althans niet in de mate zoals gezien.

Wat de plicht om vluchtelingen te helpen niet inhoudt is dat de vluchtelingen zelf zouden kunnen kiezen in welk land zij opgevangen worden. Het is aan de internationale gemeenschap om dat in eer en geweten uit te maken. En zoals hierboven gezegd kunnen landen zich dus van hun plichten kwijten door andere landen te helpen bij het opnemen van vluchtelingen. Daarover kunnen en mogen, ja moeten landen onder elkaar afspraken maken.

Een gezamenlijk Europees beleid

Zoals gezegd faalde Europa in de aanpak van de vluchtelingenkwestie in de Syrische burgeroorlog. De komende crisis rond Afghanistan biedt nu een mogelijkheid om het anders aan te pakken en een begin te maken met een meer gestroomlijnd en gezamenlijk Europees beleid. Daar zijn meerdere goede redenen voor.

Een eerste reden is dat   het ons (Europa dus) internationaal een smoel kan geven. Onze angst voor asielzoekers (de eerste foute houding waar ik het over had) moeten we achter ons laten. We moeten uitpakken met het feit dat wij landen zijn die graag asiel verlenen of graag andere landen helpen bij het verlenen van asiel. Zijn wij immers niet de besten? Dat zal ons ook minder kwetsbaar maken tegenover dictators allerhande die ons willen chanteren door vluchtelingen onze kant op te sturen. Nu is Europa als een bange wezel die wegkruipt telkens wanneer het woord ‘vluchteling’ of ‘asielzoeker’ valt.  Ik stel mij Europa anders voor.

Een tweede reden is dat het voor Europa een opstap kan zijn zich geopolitiek beter te organiseren en te profileren. De administraties van de verschillende Europese landen werken op het vlak van buitenlandse betrekkingen nog te veel op zichzelf. Een gezamenlijk asielbeleid en het beter afstemmen op elkaar van de procedures en de criteria voor erkenning of terugwijzing kunnen ons op het vlak van buitenlandse politiek dichter bij elkaar brengen. Makkelijk is dat niet. De administraties van verschillende landen moeten daarvoor met elkaar samenwerken. Voorkeuren of aversies in de internationale betrekkingen van Europese landen kennen soms een hardnekkig verleden. Maar als Europa krachtig wil optreden zal het dat toch moeten leren. Een land dat de laatste tijd op het vlak van asiel veel expertise heeft uitgebouwd en daar de nodige middelen tegenaan gooit is Duitsland. Duitsland zou in deze zaak in Europa het voortouw kunnen nemen.

Een derde reden is zoals al betoogd dat het onze morele plicht is.

Een vierde reden tenslotte is dat het moralistische geruzie over deze aangelegenheid uitermate vermoeiend is. Een breed gedragen concept is in ons aller belang. We hebben al genoeg zaken om ruzie over te maken[2].

Zoals hoger betoogd betekent de plicht om asiel te verlenen echter niet noodzakelijk dat men mensen ook effectief opneemt in het eigen land wanneer daar een asielvraag aanvaard wordt. De idee dat dat zou moeten is de tweede foute idee, of houding waar we vanaf moeten. Mensen kunnen ook elders gevestigd worden.

Daar zijn twee redenen voor:

Ten eerste: een asielbeleid maakt op het vlak van de ontvangende samenleving deel uit van het ruimere migratiebeleid van die samenleving. Migratie kan maar duurzaam zijn als er tegelijk ook integratie is. De ontvangende samenleving wordt steeds diverser en moet in staat zijn de nieuwkomers te ‘absorberen’, op duurzame wijze in zich op te nemen.

Ten tweede: men moet ook doen wat efficiënt is en effectief. Asiel verlenen kost geld, en elke euro die besteed wordt moet renderen. De euro die men voor een asielzoeker op West-Europees grondgebied besteedt zal meer en beter renderen wanneer men diezelfde euro besteedt voor een asielzoeker die zich bevindt op het grondgebied van een land als pakweg Iran, Kenia of Turkije[3]. Vanuit het oogpunt van efficiëntie en effectiviteit gezien is de Turkijedeal een goede zaak.

Andere landen geld geven om te zorgen voor asielzoekers wordt soms pejoratief omschreven als het ‘uitbesteden’ van onze morele plicht. Maar met dat ‘uitbesteden’ is niets verkeerd. Zolang men mee toekijkt naar hoe de centen worden besteed en of fundamentele mensenrechten niet worden geschonden kan het. Ook met de Turkije-deal is erop zich niets mis. Wat er wel fout zat aan de Turkije deal was dat die te laat kwam en afgesloten werd om de verkeerde reden. Hij kwam te laat, omdat Europa al van in het begin iets dergelijks had moeten doen. Hij kwam er om de verkeerde reden omdat Europa de deal afsloot om van asielzoekers ‘af te raken’ en omdat men een politieke backlash (succes voor extreem -rechts) vreesde. Men had moeten helpen zodra de oorlog uitbrak en de eerste vluchtelingen vanuit Syrië de buurlanden binnenkwamen en dit vanuit de intentie om vluchtelingen te helpen. De deal zoals die uiteindelijk werd afgesloten werd met het schaamrood op de wangen afgesloten.

De Afghanistancrisis kan nu dus door Europa aangegrepen om het beter te doen.

De terugtrekking van de Verenigde Staten en haar bondgenoten uit Afghanistan lijkt in veel opzichten op wat in 1975 in Vietnam gebeurde. Na die terugtrekking kwam vanuit Vietnam een vluchtelingenstroom op gang. Iedereen herinnert zich de bootvluchtelingen. Maar het duurde lang vooraleer er voor die vluchtelingen op gestructureerde wijze hulp kwam. Velen verdronken voor het zo ver kwam. Maar uiteindelijk kwam die hulp er wel en wel op grote schaal.

Men verwacht, of ‘vreest’ zo lees ik vandaag in de krant, dat dit met Afghanistan nu ook zal gebeuren. Wel, laat de westerse wereld hier nu meteen en zonder dralen het voortouw nemen om die mensen op te vangen. Wie de principes van scheiding van kerk en staat onderschrijft en de gelijkheid van man en vrouw respecteert heeft recht op onze gastvrijheid. Geef de Afghanen de mogelijkheid om met de voeten te stemmen; laten we dit doen en daarbij schril afsteken tegen wat andere dictatoriale regimes doen. Westerse landen kunnen daar onder elkaar afspraken over maken, de inspanningen verdelen, en er desgevallend ook landen uit de regio (Pakistan, Turkmenistan, …?) bij betrekken.

De Verenigde Staten konden in Vietnam het communisme niet militair verslaan. De Verenigde Staten en haar bondgenoten kunnen ook het moslimfundamentalisme in Afghanistan niet militair verslaan. Maar uiteindelijk verdwenen de communistische regimes wel één na één. Uiteindelijk zal dat ook gebeuren met het moslimfundamentalisme. En die strijd tegen dat fundamentalisme moet niet gevoerd worden met wapens in verafgelegen landen. Ook bij ons tracht de fundamentalistische Islam voet aan grond te krijgen; hij dient bestreden te worden met onderwijs, ideeën en electoraal met het uitbrengen van stemmen. De nieuwe Europeanen kunnen, eenmaal ze een politieke stem hebben daarbij helpen.

Boeken

Schrijven over migratie in het algemeen en asiel in het bijzonder is niet eenvoudig. De problematiek is uiterst complex en vraagt veel nuance. Het is ook moeilijk volledig te zijn[4].

Ik heb de voorbije jaren veel over migratie gelezen, maar de meeste inspiratie voor wat ik hier schrijf heb ik uit drie boeken/documenten. De drie werken zijn complementair.

 “Refuge – Rethinking refugee policy in a changing world”, boek verschenen in 2017 en van de hand van Oxford professoren Paul Collier en Alexander Betts.

“Sustainable Migration in Europe”uit 2018 en eveneens van de hand van Paul Collier en Alexander Betts. Het is een paper geschreven op vraag van de Noorse regering en handelt over migratie meer in het algemeen. De paper is te lezen op de website van het European Migration Network (EMN). Link in voetnoot[5].

En tenslotte: “Welche Grenzen brauchen wir?” van Gerald Knaus, de architect van de Turkije-deal.

Deze publicaties werden tot nu toe niet in het Nederlands vertaald. Bij leven en bij welzijn hoop ik in een latere bijdrage wat dieper op deze verschillende werken in te gaan.


[1] “Considering that the grant of asylum may place unduly heavy burdens on certain countries, and that a satisfactory solution of a problem of which the United Nations has recognized the international scope and nature cannot therefore be achieved without international co-operation.”

[2] In dit verband zou ik het kunnen hebben over de noodzaak dat politici een goede balans moeten vinden tussen de eisen van een overtuigingsethiek en die van een verantwoordingsethiek. Enkel wanneer politici dat doen zullen ze een duurzaam draagvlak voor een asiel- en migratiebeleid kunnen creëren. Enkel dan zal het onvruchtbare moralistische geneuzel over asiel en migratie ophouden.

[3] Ons altruïsme moet effectief zijn. ‘Effectief altruïsme’ noemt men dat.

[4] Zo heb ik het hier bv. niet gehad over de noodzaak terugname akkoorden te onderhandelen met landen van herkomst voor afgewezen asielzoekers. Ook daar ligt een grote opdracht voor een gezamenlijk Europees beleid.

[5] https://www.udi.no/globalassets/global/european-migration-network_i/emn-norway-papers/emn-norway-occasional-paper-sustainable-migration-in-europe-oxford-university.pdf

Baudet, Wagner en oikofobie

Oikofobie

De voorbije dagen nam ik in Nederland deel aan de internationale dagen van de Saxion University in Enschede met een lezing getiteld ‘een kader voor duurzame migratie’. Het kader dat ik schets is tegelijk analytisch en ethisch en werd recentelijk door twee Oxford professoren ontwikkeld op verzoek van een aantal Europese regeringen. Onderliggende bedoeling van dat kader is om voor- en tegenstanders van migratie op één lijn te krijgen en zo een duurzaam beleid mogelijk te maken.   Bij wijze van inleiding van mijn lezing zoek ik naar de juiste terminologie die we zouden kunnen gebruiken om voor – en tegenstanders van migratie aan te duiden. Ik laat vele benamingen de revue passeren. Uiteindelijk vertel ik de studenten dat ik er de voorkeur aan geef om te spreken over migratieoptimisten en migratiepessimisten een beetje naar analogie met Patrick Loobuycks onderscheid tussen islamoptimisten en islampessimisten; ‘optimisten’ en ‘pessimisten’ klinkt neutraal en maakt rationeel spreken makkelijker. Voor we zover zijn haal ik echter nog twee andere contrasterende termen aan: ‘xenofoben’ en ‘oikofoben’. ‘Xenofoben’ is de naam die de migratieoptimisten geven aan de migratiepessimisten, terwijl die laatste de eerste ‘oikofoben’ noemen. De term xenofoob is genoegzaam bekend, zowel in Nederland als in Vlaanderen. De term ‘oikofoob’ is alleen in Nederland bekend.  ‘Oikofoob’ is een samenstelling van oikos, het Grieks voor huis en ‘foob’, het Grieks voor angst . De oikofoob is iemand die bang is voor het eigen huis, voor de eigen cultuur en die daardoor de eigen cultuur en zichzelf gaat haten. Oikofobie betekent zelfhaat. Zelfhaat staat dan tegenover vreemdelingenhaat. Dit is althans de omschrijving die gegeven wordt door de Engelse conservatieve cultuurfilosoof Roger Scruton. De term werd in Nederland verspreid door Thierry Baudet. Vermits het de dag van mijn lezing ook verkiezingen zijn in Nederland en de meeste van mijn studenten die avond nog gaan stemmen komt de naam van Thierry Baudet ook tijdens de lezing nog ter sprake.  Tot verassing van velen wint Baudet die dag de verkiezingen. Door de overwinningsspeech die Baudet later op de avond geeft maakt hij zichzelf en de term ‘oikofoob’ op slag wereldberoemd, deze keer ook in Vlaanderen.

Mak, Cliteur, Scruton

Sinds 2012 citeer ik Baudet in mijn lezingen over John Rawls als een van de conservatieve critici op de theorie van Rawls. In februari 2014 tikte ik tijdens een verblijf in Amsterdam het boekje “Thuis in de tijd” op de kop. In “Thuis in de Tijd” kruipen Geert Mak en Thierry Baudet uit de loopgraven om met elkaar in dialoog te treden over de globalisering en het gevoel van verlies dat die globalisering volgens Baudet voor Nederlanders tot gevolg heeft.  ‘Mensen voelen zich niet meer thuis’ zo stelt hij. Het boekje heeft welhaast iets symbolisch. De grote Geert Mak, voorstander van meer Europa, die een forum biedt aan de nog niet zo bekende Baudet, zelf uitgesproken tegenstander van de EU. Lente 2017, lees ik Baudets in 2012 uitgegeven boek “De aanval op de natiestaat”.  “De aanval op de natiestaat” is een Nederlandse bewerking van een proefschrift dat Baudet schreef onder leiding van Paul Cliteur en Roger Scruton.  Het boek is goed geschreven, leest vlot en is juridisch en historisch sterk onderbouwd. Baudet trekt erin van leer tegen de uitholling van de natiestaat door de Europese eenwording en door transnationale en internationale organen. Vooral zijn hoofdstuk over supranationale gerechtshoven beklijft. Ik lees er dingen over het Internationaal Strafhof die ik elders nog niet had gelezen.

Framing

Wanneer Baudet een jaar of drie geleden bekend maakt dat hij in de politiek wil stappen komt er in de mainstream media een waar offensief tegen hem op gang. “Baudet is een fascist, hij is een racist” zo luidt het. Een triestig hoogtepunt in deze lastercampagne is de uitzending Jinek en Pauw van 10 maart 2017.  Jinek en Pauw is een praatprogramma dat je kan vergelijken met Van Gils en Gasten in Vlaanderen. Een vijftal mensen rond de tafel en publiek als toeschouwers en koor. Die avond werden alle registers opengetrokken om Baudet te framen als een stuk onbenul en een racist. Hij werd geschoffeerd en vernederd. Er werd op de man gespeeld in plaats van op de bal. Het had veel weg van de “basket of deplorables” waarmee Hilary Clinton de Trump aanhangers schoffeerde in 2016. Met dat verschil natuurlijk dat Baudet helemaal geen Trump is.

De Groene

Bij de Groene Amsterdammer, een Nederlands links progressief weekblad, wekte het hele gedoe rond Baudet argwaan. Was Baudet nu werkelijk de racist en fascist waarvoor hij telkenmale versleten werd?  Maar ‘als je wil weten hoe ik denk moet je mijn boeken lezen’ had Baudet gezegd. Bij de Amsterdammer deden ze dat en ze brachten er omstandig verslag van uit. Het werd een lang artikel, zes grote pagina’s lang, bijna een masterscriptie. Het schetst de hele intellectuele werdegang van Baudet. Zoals te verwachten is De Amsterdammer het niet met hem eens, maar ze dedouaneren hem wel volledig. Hieronder de link naar het artikel (*).

Wagner

Soms heeft Baudet wat weg van een snoever, en grootsprakerig is hij altijd. Dat was ook die ene avond het geval toen hij op een sponsordiner van de nieuwssite Doorbraak kwam spreken. Zijn speech was slordig en onvoorbereid en dit werd hem door het kritische intellectuele publiek niet in dank afgenomen. Ik voelde me na zijn speech dan ook niet meteen geroepen om met hem een babbeltje te doen.

Maar ik zag hem nog een tweede keer life en toen liep het anders. Met een vriend was ik vorig jaar op Paasdag   naar de opera Parsifal van Richard Wagner gaan kijken in de opera van Antwerpen. Tijdens de pauze komen we Baudet vergezeld van een medewerker tegen in de foyer.   We maken kennis en geraken aan de babbel. Het ijs is meteen gebroken. Hij is er incognito zo grappen we, ‘niet moeilijk’, zegt hij ‘want in Antwerpen kent niemand mij ‘.  Meteen werd duidelijk waarom Baudet daar aanwezig was. ‘Richard Wagner, een toppunt van de westerse cultuur’ op die opvoering mocht Baudet toch niet ontbreken! Gewichtig met de armen gesticulerend begint hij ons over Wagner te vertellen en ik heb meteen door dat hij er niets van kent. Ik corrigeer hem vriendelijk en vervolgens doet Baudet iets wat politici doorgaans niet doen; hij laat mij praten en luistert.  Ik vertel over mijn lezingen over Richard Wagner. Hij luistert met tintelende ogen en toenemend enthousiasme om me uiteindelijk te vragen (hij zei eigenlijk dat ik moest) of ik die lezing niet zou kunnen geven in de zomeruniversiteit van zijn jongerenafdeling. Ik zag dit wel zitten en we wisselden e-mailadressen uit. In een later mailcontact is Baudet opnieuw enthousiast. Hij delegeert de zaak echter aan een van zijn medewerkers, … en daar is het voorlopig blijven hangen.

Europa

Baudet is een intelligent man. Ik ben het niet in alles met hem eens, maar in zijn verdediging van de natiestaat volg ik hem. Het verschil tussen Baudet en mij is echter dat Baudet de EU weg wil en ik niet. In de gelaagde identiteit die wij allemaal hebben komt voor mij Europa op de eerste plaats. Een ééngemaakt Europa is m.i. echter niet haalbaar en wellicht ook niet wenselijk. Versterkte samenwerking daarentegen is dat wel. Per definitie kan die samenwerking alleen maar plaatsvinden tussen sterke natiestaten. Die sterke natiestaten moeten ook democratisch gerund zijn. De Europese democratie begint onder, niet boven. Baudet is intellectueel niet alleen interessant voor wie tegen Europa is. Hij is dat ook voor wie meer Europa wil. Een Europa zonder critici is immers een dood Europa.

En nog eens Scruton

Bij het schrijven van deze tekst valt me terloops de rol van Roger Scruton op. Scruton is een gewaardeerde, Engelse conservatieve filosoof. Baudet is sterk door hem beïnvloed. Wie ook beïnvloed is door Roger Scruton, of er althans bewondering voor koestert is de Vlaams-Poolse filosofe Alicja Gescinska. Beiden, Gescinska en Baudet, zijn bewonderaars van Scruton en beiden hebben ze een uitgesproken opvatting over Europa. Ze kiezen na een bepaalde tijd van intellectuele activiteit voor een politieke carrière (Baudet drie jaar geleden en Gescinska vorige maand) en ze komen daarbij lijnrecht tegenover elkaar te staan. Gescinska kiest voor de Alde van Verhofstadt en een sterk Europa, Baudet situeert zich eerder in het kamp van de Eurosceptici.  Vreemd?  Of toch niet? Scruton lijkt alvast een inspirerend man te zijn. Misschien wordt het tijd om hem eens ter hand te nemen…

(*) Het artikel is lang. Wie wil besparen op de tijd kan best ergens halverwege instappen, bij de paragraaf ‘Ondertussen – werklust en…’

https://www.groene.nl/artikel/een-romantisch-conservatief-met-incorrecte-neigingen?fbclid=IwAR0n8FjGdnaZ9LzhJSBl7C9Tfp9-o59gsxOqXnq0sx0D69AaNat5ZLK6Dpw

Legaliteit versus legitimiteit in het Catalaans-Spaanse conflict

Toen het Catalaans parlement besloot een volksraadpleging (referendum) te houden was dat niet legaal, want strijdig met de Spaanse grondwet. Toen het besloot eenzijdig de onafhankelijkheid uit te roepen was dat evenmin legaal. Net zoals alle andere grondwetten waar ook ter wereld laat de Spaanse grondwet immers geen secessie toe[1]. Velen vinden echter dat het conflict tussen Catalonië en Spanje geen juridisch conflict is maar een politiek conflict. Een conflict ook tussen twee rechtsordes, de Catalaanse en de Spaanse. Het recht botst hier op zijn grenzen.   In die context is niet zozeer de vraag wat legaal is, maar wel wat legitiem is van belang[2].

Wat willen de Catalanen eigenlijk en met hoevelen zijn ze om dat te willen?  Aan de hand van de gebeurtenissen tussen 2005 en 2016 gaan we dat na. We zijn daarbij getuige van de manier waarop de focus zich verlegde van meer autonomie naar het recht om zelf te beslissen en uiteindelijk het recht om onafhankelijk te worden.

Het autonomiestatuut van 2005

 We keren terug naar 30 september 2005[3]. Die dag keurde het Catalaans parlement – met 120 stemmen voor en 15 stemmen tegen – een voorstel goed tot hervorming van het autonomiestatuut van Catalonië. Het voorstel maakte deel uit van het regeerakkoord van een coalitie van drie linkse partijen (PSC, ERC en IC-V)[4] die onder leiding van Pasqual Maragall (burgemeester van Barcelona ten tijde van de Olympische Spelen) was aangetreden.

Het voorstel bevatte vijf punten: 1) vaststellen dat Catalonië een natie is; 2) de taalpolitiek van de Generalitat (de Catalaanse regering) consolideren en van het Catalaans de “publieke taal” maken van Catalonië; 3) voorzien in een Catalaanse rechterlijke macht; 4) meer fiscale autonomie; 5) en tenslotte: de macht van de autonome regering beschermen tegen wat men percipieerde als een toenemende trend naar recentralisatie.

De vaststelling dat Catalonië een natie is zou betekenen dat vanaf dan de soevereiniteit in Spanje een gedeelde soevereiniteit zou zijn waardoor Spanje zou kunnen evolueren van het ‘ene’ Spanje naar een plurinationaal Spanje. Catalaans als “publieke taal”, zou het Catalaans een geprivilegieerde status toekennen. Zoals aangegeven stemden 120 van de 135 afgevaardigden voor.  Grosso modo kan men dus stellen dat 88 % van de Catalaanse bevolking voor was.  Dat betekent dat ook een groot deel van de Spaanssprekende Catalanen het met het voorstel eens waren. Er was dus sprake van een grote democratische legitimiteit. De 15 verkozenen die tegenstemden behoorden allen tot dezelfde partij: de Partido Popular.

De procedure schrijft voor dat een voorstel tot herziening van het autonomiestatuut, nadat de inwoners van het betrokken autonome gebied (in dit geval Catalonië) het onder elkaar eens zijn, voorgelegd wordt aan het Spaanse parlement. Dit komt er de facto op neer dat wanneer de Basken of de Catalanen hun autonomiestatuut willen heronderhandelen ze dit moeten doen met de grote Spaanse nationale partijen en dat zijn de socialisten(PSOE) en de Partido Popular (PP).  De Partido Popular is rabiaat Spaans nationalistisch en principieel tegen toename van autonomie. De PSOE is iets buigzamer. Voor beide partijen geldt hoe dan ook dat ze enkel toegevingen doen wanneer dit electoraal in hun kraam past, of wanneer ze de regionale partijen nodig hebben om in Madrid een coalitie te vormen of een budget goedgekeurd te krijgen. In 2005 hadden de Catalanen er alvast een goed oog in. In 2004 hadden de socialisten de nationale verkiezingen gewonnen en de Partido Popular naar de oppositie verwezen; Zapatero werd president[5]. Tijdens een befaamde verkiezingsmeeting in Barcelona had Zapatero beloofd dat hij het voorstel van statuut van het Catalaans parlement zou accepteren. Het voorstel werd in Madrid dan ook op 10 mei 2006 goedgekeurd, maar niet zonder kleerscheuren. 50 % van de artikelen werden aangepast. De vaststelling dat Catalonië een natie is en ook bepalingen i.v.m. de taalpolitiek overleefden echter wel.

Als laatste stap in de procedure moest het aldus door het Spaanse parlement geamendeerde voorstel nog geratificeerd worden door de Catalaanse bevolking in een referendum. Omdat het voorstel in de ogen van de ERC (de links republikeinen) te veel was afgezwakt gaven zij een “neen” advies aan hun kiezers. Dit leidde tot politieke onenigheid in de Catalaanse regering. De opkomst voor het referendum was naar de lage kant (49 % kwam stemmen), maar het “ja” kamp prevaleerde met 73,9 %.

De Partido Popular en het Grondwettelijk Hof

Desondanks was het lot van het statuut nog niet zeker. Zodra het door het Spaanse parlement was goedgekeurd gingen de Partido Popular en een aantal autonome regio’s die door de Partido Popular geregeerd werden in beroep bij het Grondwettelijk Hof. De Partido Popular verzamelde daartoe in heel Spanje meer dan een miljoen handtekeningen. Volgens de Partido Popular betekende het voorstel een aanval op de eenheid van Spanje.

Het Grondwettelijk Hof deed er maar liefst vier (!) jaar over om tot zijn uitspraak te komen. Op 28 juni 2010 viel het verdict. Een deel van de artikelen werd ongrondwettig verklaard en alle andere artikelen werden zo beperkend geïnterpreteerd dat het statuut betekenisloos werd. Het oordeel betekende een zware slag voor de taalpolitiek die de Generalitat wilde implementeren. Het Catalaans kon niet de “publieke taal” van Catalonië worden. Ook werd de taalpolitiek die tot dan toe gevoerd werd in vraag gesteld. Bovenal stelde het Hof dat Catalonië noch in de politieke, noch in de wettelijke betekenis van het woord als een natie kan worden beschouwd. De legitimiteit van het Catalaanse autonomiestatuut zou dan ook nooit een emanatie van de wil van het Catalaanse volk kunnen zijn. Ze zou enkel bij gratie van de Spaanse grondwet en van het parlement in Madrid kunnen worden verworven[6].

Burgerprotest

Tegen deze uitspraak rees een massaal burgerprotest. Een eerste grote demonstratie vond plaats twee weken na de uitspraak in Barcelona; volgens sommige schattingen kwamen toen meer dan één miljoen mensen op straat. Twee grote verenigingen zagen het licht: het AMI en het ANC. Samen met  het OC zijn zij de  de organisatoren van wellicht de grootste burgerdemonstraties die Europa ooit heeft aanschouwd. Die demonstraties worden steeds georganiseerd op 11 september, de nationale feestdag van Catalonië; ze verlopen steevast vredevol. Vanaf nu zou dit burgerprotest de politieke partijen van extreemlinks tot centrumrechts vooruitjagen. Eerst het parlement, dan de regeringen zouden zich de eisen van die burgerbeweging eigen maken. De focus ligt op zelfbeschikking (“dret a decidir”) en onafhankelijkheid. Het “proces naar onafhankelijkheid”, zoals het ook wordt genoemd, kwam op gang.

Mas gaat vooralsnog voor een fiscaal akkoord.

In de herfst van 2010 kwam de partij van Artur Mas bij de Catalaanse verkiezingen als grootste partij uit de bus en werd Mas president. Mas had in zijn verkiezingsprogramma aangekondigd vooreerst voor meer fiscale autonomie te gaan. Mocht de Spaanse regering daar niet op ingaan zo had Mas verder beloofd, dan zou de optie van zelfbeschikking verder moeten worden overwogen. Dat nu de focus werd gelegd op de fiscale autonomie was niet verwonderlijk. In 2010 werden immers de gevolgen van de grote recessie van 2009 en het openbarsten van de zeepbel in de immobiliën in Spanje zichtbaar. Uithuiszettingen waren aan de orde van de dag en zorgden voor veel maatschappelijk protest. De werkloosheidsgraad die in Catalonië in 2007 6,55% bedroeg was in 2010 opgelopen tot 17,75%. Terwijl de gemiddelde werkloosheidsgraad in Spanje 20,06 % bedroeg viel voor de Catalanen vooral het verschil met Baskenland op waar de werkloosheidsgraad in 2010 10,55 % bedroeg. Dat de Basken beter uit de crisis kwamen wijdden de Catalanen aan het feit dat de Basken beschikten over een volledige door de grondwet gegarandeerde fiscale autonomie[7]. Waarom zou Catalonië, dat het meest aan het Spaanse bruto binnenlands product bijdroeg, dan zo disproportioneel veel last moeten hebben van die crisis? Intussen kwam in Madrid de Partido Popular opnieuw aan de macht met Rajoy als president. Op 20 september 2012 overhandigde Mas aan Rajoy het Catalaanse verzoek voor een fiscaal akkoord. Het antwoord van Rajoy was “neen”.

Verklaring van soevereiniteit en van het recht van het volk van Catalonië om zelf te beslissen (‘dret a decidir’)

Vanaf dan wordt de roep van de burgers om zelfbeschikking en onafhankelijkheid steeds luider. Het Catalaans parlement wil daarbij de weg van de legaliteit bewandelen en om te beginnen een referendum organiseren onder de Catalaanse bevolking. Op 23 januari 2013 stemde het Catalaans parlement een Verklaring van soevereiniteit en van het recht van het volk van Catalonië om zelf te beslissen (‘dret a decidir’). De verklaring stelt dat ‘het Catalaanse volk op grond van overwegingen van democratische legitimiteit de natuur heeft van een politieke en legale entiteit’. Dienovereenkomstig zou het parlement ‘het proces opstarten waardoor de uitoefening van het recht om te beslissen effectief zou worden en de burgers van Catalonië zouden kunnen beslissen over hun gezamenlijke politieke toekomst’. In een zevende punt bevestigt de verklaring tevens dat ‘alle bestaande legale kaders zouden gebruikt worden om de versterking van de democratie en de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht te implementeren’. De resolutie werd aangenomen door 85 van de 135 (62 %) afgevaardigden.

Vooralsnog binnen de Spaanse legale orde

Aangezien het Catalaans parlement evident wil opereren binnen de Spaanse legale orde gaat de aandacht eerst naar art 92 van de Spaanse Grondwet. Dit artikel stelt: “politieke beslissingen van speciaal belang kunnen voorgelegd worden aan alle burgers in een consultatief referendum.” De formulering ‘alle burgers’ suggereert dat het om een referendum gaat voor heel Spanje en niet voor één gebied alleen[8]. Dat willen de Catalanen niet, ze willen zelf beslissen en dit niet overlaten aan de rest van Spanje.  Tegelijk voorziet de grondwet in art 150.2 de mogelijkheid tot overdracht van bepaalde bevoegdheden van de staat naar de autonome gemeenschappen. De Spaanse staat zou de bevoegdheid om een referendum te organiseren kunnen overdragen aan Catalonië.  Ook in Schotland was het op die manier gegaan. Het Schotse referendum dat intussen was aangekondigd voor 18 september 2014 gaat dienen als voorbeeld.

Wet ter organisatie van een “niet bindend referendum”

In het Catalaans parlement werd over de kwestie gestemd en 87 van de 135 afgevaardigden waren het erover eens de weg van art 150.2 te volgen. In April 2014 werd in het Spaans parlement over de kwestie gestemd. De vraag luidde of Catalonië de bevoegdheid zou kunnen krijgen om binnen   Catalonië een niet-bindend referendum te organiseren over de politieke toekomst van Catalonië. De Catalanen kregen enkel steun van de regionale nationalistische partijen, alle Spaans-nationale partijen stemden tegen. Resultaat: slechts 47 van 350 parlementsleden, amper 13,4 %, stemden voor. Rajoy daarover in de media geïnterviewd verklaarde: ‘Ik kan en ik wil geen referendum toelaten in Catalonië’. [9]Het Catalaans parlement neemt dit niet en op 19 september, de dag na het Schots referendum neemt het met een ruime meerderheid van 106 van de 135 zetels (78,5 %), een wet aan ter organisatie van een “niet bindend referendum” dat op 9 november zou plaatsvinden. Op 27 september ondertekent Mas een decreet voor de organisatie van deze volksbevraging. Twee dagen later worden zowel de wet als het decreet op vraag van de regering in Madrid door het Grondwettelijk Hof geschorst[10].  Als reactie vormt de regering de volksraadpleging om tot een soort van “burgerparticipatie” die zou georganiseerd worden door het middenveld en waarin de regering theoretisch geen aandeel zou hebben. De reeds eerder aangekondigde datum van 9 november blijft evenwel behouden. Uiteindelijk namen 2,5 miljoen Catalanen aan deze bevraging deel waarvan er 82 % voor onafhankelijkheid stemden[11].

Het plebisciet van 27 september 2015

Voor President Mas en zijn regering creëerde die situatie niet de verhoopte duidelijkheid. Het ging al bij al maar om een niet-bindend participatief proces met een geringe opkomst.  Januari 2015 kondigde Mas aan dat hij opteerde voor vervroegde verkiezingen in september 2015. Die zouden moeten dienen als substituut voor het echte referendum over onafhankelijkheid dat de Spaanse regering weigerde te sanctioneren. De daaropvolgende verkiezingsresultaten van 27 september klaarden de zaak ook niet echt uit. De partijen die expliciet voor onafhankelijkheid waren behaalden een absolute parlementaire meerderheid met 47,8 % van de stemmen. De partijen die expliciet tegen onafhankelijkheid waren behaalden 39,17 % van de stemmen, terwijl een aantal partijen die expliciet voor een referendum waren, maar geen duidelijk standpunt hadden over onafhankelijkheid samen 11,45 %van de stemmen behaalden. In deze context en gegeven hun absolute parlementaire meerderheid besloten de pro-onafhankelijkheidspartijen het onafhankelijkheidsproces verder te zetten.

Verklaring houdende het in gang zetten van het onafhankelijkheidsproces

Het Catalaans parlement gaat er op dat ogenblik van uit dat het alle mogelijke legale middelen heeft uitgeput om het nieuwe autonomiestatuut te onderhandelen en om vervolgens een referendum te kunnen houden. Op 9 november 2015 stemt het Catalaans parlement een verklaring houdende het in gang zetten van het onafhankelijkheidsproces. Doel is een Catalaanse staat in de vorm van een republiek. De resolutie kondigt ook een ‘democratische loskoppeling’ aan van de Spaanse staat en stelt dat het Catalaans parlement ‘niet langer meer onderworpen is aan de beslissingen van de Spaanse staat, in het bijzonder aan die van het Grondwettelijk Hof dat het als illegitiem beschouwt ingevolge het verdict van 2010 over het autonomiestatuut van Catalonië’. De verklaring werd goedgekeurd door 72 van de 135 gekozenen (53,3 %). Op 12 januari 2016 werd Puigdemont benoemd tot nieuwe president van de Generalitat.

Men kan die “verklaring houdende het in gang zetten van het onafhankelijkheidsproces” zien als een soort onafhankelijkheidverklaring avant la lettre, waardoor de constitutionele Catalaanse orde die tot dan toe bestond binnen de Spaanse constitutionele orde, nu naast de Spaanse constitutionele orde komt te staan.

‘Ik kan niet en ik wil niet’

Vanaf 2010 is de roep vanuit de bevolking om zelfbeschikking en onafhankelijkheid zeer luid. Pas na het ‘ik kan niet en ik wil niet’ van Rajoy voorjaar 2014 zet de politiek de stap naar unilaterale onafhankelijkheid. Maar die onafhankelijkheid wordt niet meteen uitgeroepen aangezien er nog een lang wettelijk democratisch proces van loskoppeling moet voltrokken worden waarin een bindend onder Catalanen georganiseerd referendum over de onafhankelijkheid de kern vormt.

Bij de inschatting van de legitimiteit van die Catalaanse constitutionele orde en van de daden van de Catalaanse regering moet men zich m.i. baseren op volgende elementen:

  • De nietigverklaring door het Grondwettelijk Hof van het in 2005 en 2006 door de wetgevende machten van Catalonië en Spanje goedgekeurde autonomiestatuut
  • De verschillende percentages waarmede de Catalanen stemden bekeken in hun samenhang
  • Het repressieve en disproportionele geweld dat door de Spaanse staat gebruikt werd en nog steeds wordt in de pogingen een referendum te verbieden en/of in de kiem te smoren

De uitspraak van het Grondwettelijk Hof

Vele waarnemers zijn het erover eens dat het proces naar onafhankelijkheid ingeluid werd door de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van het nieuwe autonomiestatuut van Catalonië, en dit niettegenstaande het feit dat dit statuut zowel door de wetgevende macht van Catalonië als door de wetgevende macht van Spanje, de échte soevereine machten in het land, was goedgekeurd. De bepalingen betreffende het taalstatuut en betreffende Catalonië als natie kwamen hard aan. Catalonië, zo stelde het Hof, kan geen natie zijn omdat er in Spanje maar één natie is. Art 1.2 van de grondwet stelt immers: “de nationale soevereiniteit ligt in het Spaanse volk, de machten van de staat vloeien eruit voort”. Art 2.1 bepaalt verder: “de constitutie is gebaseerd op de onlosmakelijke eenheid van de Spaanse natie, het gezamenlijke en ondeelbare vaderland van alle Spanjaarden”. Er is maar één natie in Spanje zegt het Hof, namelijk de Spaanse, en Catalonië kan noch in de politieke, noch in de wettelijke zin van het woord als een natie beschouwd worden. In Spanje is de soevereiniteit niet gedeeld, (zoals ze dat bijvoorbeeld in België wel is). Catalonië kan dus geen soevereiniteit claimen naast de Spaanse soevereiniteit. En aangezien een (soevereine) Catalaanse natie niet bestaat kan de legitimiteit van het Catalaanse autonomiestatuut dan ook nooit een emanatie zijn van de wil van het Catalaanse volk. Met eenvoudige woorden gezegd: Als de Catalanen iets willen moeten ze dat braafjes aan Madrid (de rest van Spanje dus) vragen. Uit zichzelf zijn ze niets.

Het Hof deelde hierbij het argument van de Partido Popular dat een natie in een natie niet kan omdat er maar één natie is, namelijk de Spaanse. Maar dat argument overtuigt niet zo stelt Jan Ghysels in een artikel op Doorbraak.be. [12] De Spaanse grondwet erkent en garandeert in hetzelfde artikel 2 immers ook het recht op autonomie van de verschillende “nationaliteiten” waaruit Spanje is samengesteld.  Vermits de Spaanse grondwet het bestaan van meerdere volkeren, waaronder het Catalaanse volk erkent, lijkt het argument dat een natie in de natie niet kan, niet op te gaan. De uitspraak van het Hof dat er geen Catalaanse natie bestaat is duidelijk een waarderende en dus een politieke uitspraak. Het is géén juridische uitspraak. De erkenning door de beide parlementen (het Spaanse en het Catalaanse) van Catalonië als natie was een toezegging die tegemoetkwam aan een diepe historische verzuchting.  Dit langs juridische weg trachten ongedaan te maken is een illusie, zo stelt Jan Ghysels[13].

Met zijn “Verklaring van soevereiniteit” aanvaardt het Catalaans parlement de jurisdictie van dit Grondwettelijk Hof niet langer. Het beschouwt het Hof als een politiek orgaan; voor het Catalaans parlement is er sprake van een ‘gouvernement des juges’[14].

Het Grondwettelijk Hof had ook anders kunnen beslissen. Er van uitgaande dat ook het Spaanse parlement in 2006 de erkenning van Catalonië als natie steunde had het Hof de politieke partijen kunnen aanmanen de grondwet aan de gewijzigde inzichten aan te passen. Dit had het begin kunnen zijn van een overgang van het éne Spanje naar een plurinationaal Spanje, wat ook de bedoeling schijnt geweest te zijn van het Catalaanse parlement. Grondwetten dienen zich immers aan te passen aan de werkelijkheid en aan gewijzigde inzichten, niet omgekeerd. In België gaat dat zo. De geschiedenis van onze grondwet is er een van voortdurende schendingen van die grondwet, waarbij nadien de grondwet telkens aan de zich wijzigende democratische inzichten aangepast wordt[15].  In Spanje kan dat dus blijkbaar niet. De Spaanse grondwet krijgt een soort van goddelijke status toebedeeld, een status die geen enkele grondwet toekomt[16].

De stempercentages

De stempercentages in het Catalaans parlement tonen aan dat een overweldigende meerderheid van Catalanen (88%) gewonnen was voor het nieuwe autonomiestatuut. Daarin draait veel rond de taalpolitiek en de erkenning van Catalonië als natie. Die 88 % betekent dat ook het grootste deel van de grosso modo  50 % Spaanssprekende Catalanen met dat statuut akkoord ging[17].

De verklaring van soevereiniteit en het recht om zelf te beslissen, (wat niet noodzakelijk hetzelfde betekent als onafhankelijkheid), van 23 januari 2013 werd in het parlement door 85 van 135 verkozenen (62,9 %) goedgekeurd.

De wet ter organisatie van een “niet bindend referendum” werd op 19 september 2014, daags na het Schotse referendum, door 106 van de 135 verkozenen (78,5%) goedgekeurd.

Wat de vraag naar onafhankelijkheid betreft is er bij gebrek aan een tot nu toe normaal georganiseerd referendum geen echte duidelijkheid. De niet bindende “burgerparticipatie” van 9 november 2014 leverde een ja op van 82 % onder de 2,5 miljoen Catalanen die kwamen stemmen.

Aan het in oktober 2017 door Madrid op alle mogelijke manieren (ook fysiek) geboycotte referendum namen 42,3% van de stemgerechtigden (2,3 miljoen) deel waarvan 90 % ja stemden.

De resultaten van parlementsverkiezingen die als substituut voor een referendum worden beschouwd geven volgend beeld. In het plebisciet van 27 september 2015 stemden 47,8% van de kiesgerechtigden voor partijen die uitdrukkelijk voorstander zijn van onafhankelijkheid en 39,17 % voor partijen die er uitdrukkelijk tegenstander van zijn, terwijl de recente verkiezingen, door Madrid in een klimaat van intimidatie en repressie afgekondigd, 48 % van de kiesgerechtigden als voorstander aanwijst.

Samengevat: 88 % is voorstander van het nieuwe autonomie statuut, 78 % vindt dat de Catalanen het recht hebben zelf over de politieke toekomst van Catalonië te beslissen (“dret a decidir”), terwijl bij volksraadplegingen waar vooral overtuigden op afkomen een 80 à 90 % voor onafhankelijkheid kiest en de uitslagen van parlementsverkiezingen de ene keer (in 2015) wijzen op 47,8 % als uitdrukkelijk voorstander van onafhankelijkheid, de andere keer (in december 2017) op 48 %. Op grond van deze percentages kan men op zijn minst stellen dat de verzuchtingen, waarvan de miskenning aanleiding was tot de huidige crisis, door een zeer grote meerderheid van de Catalanen gedeeld worden. En verder dat het buitensporige geweld van Madrid tot nu toe belet heeft om tot echt uitsluitsel betreffende de onafhankelijkheidskwestie zelf te komen.

Het buitenproportionele geweld van de regering in Madrid.

Wat de Catalanen willen is binnen hun eigen constitutionele orde legaal. Het is echter illegaal binnen de Spaanse. Zoals we reeds stelden botsen hier twee legaliteiten, twee constitutionele ordes met elkaar.

“In dergelijk conflict, is het evident dat de ene Constitutie volgens de andere ongeldig is en omgekeerd. Dat conflict kan dus onmogelijk opgelost worden als een vraag van legaliteit, maar enkel als een vraag van legitimiteit. En die legitimiteit zal dan in grote mate afhangen van de wijze waarop de vrijheden van de burgers en hun mogelijkheid tot inspraak worden gerespecteerd of geschonden”[18].

Het palmares van de Spaanse rechtsorde oogt in deze allesbehalve fraai.

Vooreerst is er de systematische beknotting van het recht op vrije meningsuiting door Catalonië het recht te ontzeggen zich in niet bindend (consultatief) referendum uit te spreken over zijn verdere politieke toekomst. Een beknotting die zo ver gaat dat de voorzitter van het parlement vervolgd en in voorlopige hechtenis genomen wordt wegens het laten doorgaan in het parlement van debatten over onafhankelijkheid.

De intimidatie en repressie op grond van strafwetten waarvan men de grondwettelijkheid in vraag kan stellen en die het Spaans gerecht wanneer puntje bij paaltje komt, zo blijkt uit de intrekking van het Europees aanhoudingsbevel tegen Puigdemont, niet durft te onderwerpen aan de toets door de rechter in Brussel.

Het op het ogenblik van dit schrijven reeds 81 dagen in ‘voorlopige’ hechtenis houden van de voorzitters van het ANC en het OC, de organisaties achter de massabetogingen en dit wegens het oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid tegen de acties van de politie; een burgerlijke ongehoorzaamheid waarmee nooit enige geweldpleging gepaard ging[19].

Tenslotte het fysieke geweld van de Spaanse politie tegen burgers die in het referendum een stem wilden uitbrengen. Daarbij werden om en bij de 1.000 gewonden geregistreerd. Dit terwijl de separatisten altijd principieel voor geweldloosheid hebben gekozen.

Het is duidelijk dat de legitimiteit van de Spaanse rechtsorde in Catalonië in vergelijking met die van de rivaliserende Catalaanse rechtsorde door het optreden van de Spaanse staat wel bijzonder diep is gezakt…[20]

De zaak blijkt intussen muurvast te zitten. Dat er momenteel nu “maar” 48 % van de Catalanen voor onafhankelijkheid zou zijn, (zoals het door sommige commentatoren wordt voorgesteld), doet niets af aan de overige Catalaanse verzuchtingen die door grote meerderheden van de Catalanen gedeeld worden (autonomiestatuut (88 %), zelf beschikken (78,5 %); die verzuchtingen blijven. Indien Madrid met die verzuchtingen geen rekening houdt en niet de weg op gaat naar een of andere vorm van confederalisme of federalisme, (er zijn in de wereld genoeg voorbeelden), dan zullen op termijn de Catalanen opnieuw het pad van de unilaterale secessie bewandelen.

Maar zoals Spinoza zegt: ‘recht is eigenlijk macht’. Misschien zal er zo een eenzijdige secessie niet meer komen.  Misschien zal het feit dat Europa niet gedaan heeft waar de Catalanen zo op gehoopt hadden , namelijk hen te steunen, hen voor verdere avonturen behoeden. In dit geval zal in Spanje de ‘democratische’ meerderheid gezegevierd hebben op de Catalaanse minderheid. Er is dan wel sprake van onderdrukking van een minderheid door een meerderheid. In België kunnen we ons zoiets niet voorstellen. In ons federale systeem kan een Vlaamse democratische meerderheid niet eenzijdig haar wil opleggen aan de Franstalige minderheid. Dat de Europese christendemocratische partijen, waarvan er sommige in eigen land toch voorstander zijn van dergelijk federaal systeem, in deze zaak zo hardvochtig aan de kant blijven staan, stemt droevig.

[1] De Nederlandse grondwet liet dat ook niet toe toen België zich afscheidde.

[2]Zo professor Matthias  Storme:  https://doorbraak.be/de-grenzen-van-een-grondwet/

[3] Voor deze en de acht volgende paragrafen heb ik mij gebaseerd op bijdragen uit ‘The Catalan Proces. Sovereignty, Self-Determination and Democracy in the 21st Century’ Peter A. Kraus & Joan Vergés Gifra (eds.) Veel van wat ik schrijf zijn parafrases uit het boek.

[4] PSC: partij van de Catalaanse socialisten; ERC: Republikeins Links in Catalonië; IC-V: initiatief voor Catalonië- groenen.

[5] Eén van de beloften van Zapatero was dat Spanje zich zou terugtrekken uit Irak.

[6] En dus ook bij gratie van het Grondwettelijk Hof zoals dan blijkt.

[7] De Basken hebben ook een eigen sociale zekerheid.

[8] Sommige Catalaanse juristen trekken dit in twijfel en argumenteren dat een soepele interpretatie van art 92 van de Spaanse Grondwet wel een referendum in Catalonië mogelijk zou moeten kunnen maken. (‘The Catalan proces’ pag. 280).

[9] Men kan zich de vraag stellen in welke mate de houding van de klassieke Spaans nationale partijen werkelijk weerspiegelt hoe de overige Spanjaarden denken over de mogelijkheid van een Catalaans referendum. In ‘The Catalan proces’ verwijzen Alain-G. Gagnon en Marc Sanjaume-Calvet naar een opiniepeiling gepubliceerd in La Vanguardia. Zij weten hierover het volgende te vertellen: “There would be around 45%  support both for and against the referendum in Catalonia. For that reason, in spite of the immobilism of the political elites in Madrid, we can expect a certain degree of accept­ance of Catalonia’s right to decide in public opinion, although it may not currently be discernible in the face of the Partido Popular’s government and without the support of large media outlets.”  (Pag. 282 in ‘The Catalan Proces’)

[10] Vanaf dan zal het Grondwettelijk Hof systematisch de acties en wetten van het Catalaans Parlement richting referendum of onafhankelijkheid beginnen schorsen en vernietigen.

[11] Ook dit tweede (niet bindende) initiatief van ‘burgerparticipatie’ zou door het grondwettelijk hof geschorst worden. Mas en twee van zijn ministers zouden hiervoor vervolgd worden. Eén van de aanklachten luidt burgerlijke ongehoorzaamheid en het aanwenden van overheidsgeld voor dit initiatief. Intussen (voorjaar 2017) werden ze daarvoor veroordeeld.

[12] https://doorbraak.be/puigdemont-rajoy-schendt-spaanse-grondwet/

[13] https://doorbraak.be/puigdemont-rajoy-schendt-spaanse-grondwet/

[14] Acht van de 12 door de koning benoemde leden van het Grondwettelijk Hof worden voorgedragen door het Spaanse parlement en dat wordt gedomineerd door de grote   Spaanse nationale partijen. De regio’s zijn er in ondervertegenwoordigd.

[15] Voor voorbeelden zie Hendrik Vuye en Veerle Wouters, “Sleutels tot ontgrendeling”, Doorbraak, 2017, p.127-165

[16] Boudewijn Bouckaert: https://doorbraak.be/catalonie-slachtoffer-grondwettelijk-onrecht/; en Matthias Storme: https://doorbraak.be/de-grenzen-van-een-grondwet/

[17] Bijna 95% van de inwoners zegt het Catalaans te kunnen verstaan (gegevens 2001). Minder dan de helft kan de taal schrijven; in 1986 was dat slechts 31%. …In 2003 heeft de regering van Catalonië een onderzoek gedaan naar het gebruik van het Catalaans in het privéleven. Gebleken is dat weliswaar 50,1% de taal elke dag gebruikt, maar dat 45% het Catalaans zelfs niet binnen de familie gebruikt. (https://nl.wikipedia.org/wiki/Cataloni%C3%AB)

[18] Storme: https://doorbraak.be/de-grenzen-van-een-grondwet/

[19] Zie ook Amnesty International: “Amnesty International calls on Spanish authorities to drop the charges of sedition, which is very broadly defined to cover a wide range of acts, and could carry a penalty of 10 years in jail, against Jordi Sanchez and Jordi Cuixart and to put an immediate end to their pre-trial detention.” https://www.amnesty-international.be/nieuws/spanje-aanklacht-en-aanhouding-jordi-cuixart-en-jordi-sanchez-zijn-buitensporig;

[20] Storme: https://doorbraak.be/de-grenzen-van-een-grondwet/

Volledigheidshalve moet erop gewezen worden dat de stelling dat ‘het recht in dit conflict op zijn grenzen botst’, zoals in de eerste alinea geformuleerd, ook moet genuanceerd worden. De vraag kan immers gesteld worden of het internationaal recht hier geen richting aangeeft. Zo kan men zich afvragen of Spanje door het EVRM te schenden niet in aanmerking komt voor toepassing van art 7 van het EU-Verdrag; en verder of Spanje het ‘Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten’ niet schendt? Dit is in ieder geval de stelling van Vuye en Wouters.

Bronnen:

‘The Catalan Proces. Sovereignty, Self-Determination and Democracy in the 21st Century’Peter A. Kraus & Joan Vergés Gifra (eds.). Met volgende bijdragen:

  • “Introduction” van Peter A. Kraus, Joan Vergés Gifra;
  • “Democratizing Sovereignty: the Catalan “Process” in a Theoretical Perspective”, van Peter A. Kraus;
  • “Normative Views in Practice: the Political Discourse on Secession in Catalonia 2003-2015” van Ivan Serrano;
  • “Clash of Legitimacies in Catalonia and Spain: the Imperial Logic of Modern Constitutionalism versus Multinational Federalism”, van Alain-G. Gagnon en Marc Sanjaume-Calvet

Hendrik Vuye en Veerle Wouters, “Sleutels tot ontgrendeling”, Doorbraak, 2017, p.127-165

Matthias Storme: https://doorbraak.be/de-grenzen-van-een-grondwet/

Jan Ghysels: https://doorbraak.be/puigdemont-rajoy-schendt-spaanse-grondwet/

Boudewijn Bouckaert: https://doorbraak.be/catalonie-slachtoffer-grondwettelijk-onrecht/

Amnesty International: https://www.amnesty-international.be/nieuws/spanje-aanklacht-en-aanhouding-jordi-cuixart-en-jordi-sanchez-zijn-buitensporig;

De mythe van het neoliberalisme

Recent verscheen bij uitgeverij Boom het boek ‘Neoliberalisme, een politieke fictie’ (1). De stelling van het boek is dat neoliberalisme niet bestaat. ‘Neoliberalisme’ is een ideologische scheldterm, een conceptuele vuilbak waarin men alles onderbrengt waaraan men een hekel heeft. Een ‘analyse van 148 artikels die tussen 1990 en 2004 in wetenschappelijke tijdschriften verschenen’ , toont, ‘ dat in 69% niet eens een poging werd gedaan de term te definiëren – een percentage dat in de loop der jaren alleen maar omhoog is gegaan’.

Neoliberalisme is volgens Wikipedia, een essentially contested concept, een wezenlijk betwist begrip, dat onvermijdelijk eindeloze discussies met zich meebrengt over het juiste gebruik en de juiste interpretatie (2).

Ik vermoedde dit al toen ik een jaar of veertien geleden Jaap Kruithofs boek ‘Het neoliberalisme’ las (3). 522 bladzijden schreef Kruithof hierover vol maar in het boek niet één verwijzing naar andere auteurs, geen voetnoten, geen bibliografie. Recente lezing van een paar gerennomeerde filosofen – die wel hun bronnen vermelden – bevestigt mij nu in dat vermoeden. Het neoliberalisme bestaat niet.

Neem bijvoorbeeld het standaardwerk ‘Contemporary Political Philosophy, an Introduction’ van de Canadese professor Will Kymlicka (4). De term neoliberalisme wordt nergens vernoemd. In de index vinden we onder de term ‘liberalism’ verwijzingen naar   ‘liberal culturalism’, ‘liberal democracy’, ‘liberal equality’, ‘liberal feminism’, ‘liberal neutrality’, ‘liberal nationalism’ , maar nergens een verwijzing naar ‘neoliberalism’ . En onder de term ‘neo’ vinden we enkel ‘neo-conservatism’. Thatcher en Reagan die steeds   als exponenten, zoniet als grondleggers  van het neoliberalisme worden opgevoerd vinden we bij Kymlicka enkel terug onder de begrippen ‘neoconservatism’ en ‘new right’.

Ook in ‘Justice , What’s the Right Thing to do?’ van Michael Sandel (5) vinden we geen enkele verwijzing naar de term neoliberalisme. Sandel, een professor aan Harvard, overloopt de verschillende filosofische benaderingen volgens dewelke rechtvaardigheid in het actuele politieke discours benaderd wordt. Hij onderscheidt een utilitaristische, een libertaristische, een rawlsiaanse, een aristoteliaanse en een communitaristische benadering . Van ‘neoliberalisme’, is hier nergens sprake.

Wat wel bestaat is ‘marktisme’ of ‘vermarkting’ . Ik leg even uit. Men kan dingen en praktijken op verschillende manieren waarderen. Men kan er van houden, men kan ze respecteren of men kan ze gebruiken tot eigen nut. In dat laatste geval neemt men een utilitaristische houding aan en zal men aan de zaak in kwestie veelal een geldwaarde toekennen. Vermarkting is dan het fenomeen waarbij men zaken of praktijken waarvan men niet gewoon is ze in geld te waarderen toch in geld gaat uitdrukken. Vervolgens degradeert men ze op de  markt tot koopwaar. Voorbeelden zijn: prostitutie, betalen om een beer of een olifant te mogen schieten, verkoop van organen, draagmoederschap tegen betaling maar ook meer onschuldige praktijken zoals   kinderen die als cadeau voor een verjaardagsfeestje geld geven en geschenkenbons die echte geschenken dienen te vervangen. Onder de titel ‘markets and morals’ besteedt Sandel in zijn boek Justice hier een heel hoofdstuk aan . Later schreef hij er nog een apart boek over: ‘What Money can’t buy’, in het Nederlands vertaald als ‘Niet alles is te koop’.

Dit verschijnsel van vermarkting– waar men zich wel degelijk zorgen over kan maken- grijpt zeer sterk om zich heen. En het gaat daarbij niet alleen om vermarkting van zorg en onderwijs, maar om een verderreikend fenomeen waarbij alle domeinen van het leven in economische termen, in termen van berekenbaar nut en onnut worden gevat.

Maar dit fenomeen van vermarkting is niet louter aan liberalisme – of wat voor neoliberalisme zou moeten doorgaan – toe te schrijven. Het wordt gekenmerkt door een mengeling van overwegingen van nut versus onnut (utilitarisme), van zelfbeschikking en autonomie (libertarisme) en van overwegingen m.b.t. het gebruik van marktmechanismen. En dat laatste is niet louter ‘liberaal’ te noemen. Alle sociaal-economische systemen , ook socialistische, kunnen maken gebruik maken van marktmechanismen. Het was ook een filosoof, John Rawls, die daar in zijn Theory of Justice op wees (6).

Sandel en Kymlicka zijn gevierde filosofen. Kymlicka kreeg onlangs in Leuven een eredoctoraat en de internetcursus van Sandel , ‘Justice , What is the Right Thing to do?’ – is wereldvermaard (7) . Sandel en Kymlicka zijn zorgvuldige denkers die de begrippen die ze hanteren steeds nauwgezet definiëren. Hoewel beide auteurs een overzicht geven van de verschillende actuele politiekfilosofische theoriën en de politieke praxis die daarmee correspondeert, komt de term neoliberalisme nergens voor. Dit doet ons besluiten dat het ‘neoliberalisme’ inderdaad niet bestaat. Het is hooguit een mythisch monster.

Het zinledige en geforceerde gebruik van de term neoliberalisme neemt absurde vormen aan. Dit blijkt reeds uit de Nederlandse vertaling van het boek Justice van Sandel (8). In hoofdstuk drie, Do we own ourselves?, bespreekt Sandel de filosofische stroming die in het Engels libertarianism heet. De gebruikelijke vertaalterm voor libertarianism is libertarisme. Aanhangers van het libertarisme noemen we in het Nederlands ‘libertariërs’, en als bijvoeglijk naamwoord gebruiken we ‘libertarisch’. Hoewel Sandel zelf nadrukkelijk aangeeft dat het begrip in zijn uitwerking het hele politieke spectrum bestrijkt van progressief naar conservatief, van links naar rechts en van liberaal naar socialistisch, wordt de term libertarianism vertaald door neoliberalisme. Hiermee gaat men duidelijk in tegen de inhoudelijke boodschap van Sandel. Gaat het hier om onwetendheid? Of is dit een grove uiting – tegen beter weten is – van ideologische vooringenomenheid? Van vertalers van filosofische boeken zou men in ieder geval beter mogen verwachten.

  • ‘Neoliberalisme, een politieke fictie’, Martin Van Hees, Patrick Van Schie, Mark Van de Velde, uitgeverij Boom, 2014
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Neoliberalisme
  • ‘Het neoliberalisme’, Jaap Kruithof, EPO, 2000
  • ‘Contemporary Political Philosophy, An Introduction’, Will Kymlicka, Oxford UP, 2002
  • ‘Justice, What’s the right thing to do?’ Michael J. Sandel, Penguin Books, 2010
  • )’A Theory of Justice’, John Rawls, Belknap Harvard, 1971
  • ( https://www.youtube.com/watch?v=b5ntiz-mMT8)
  • ‘Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze?’, Michael J. Sandel, vertaald door Dick Lagrand i.s.m. Marjolijn Stoltenkamp, uitgeverij Ten Have, 2010

Guy Mortier was geen heilige.

De gebrekkige dienstverlening van de Nationale Maatschappij van de Belgische Spoorwegen dateert niet van vandaag. Treinen komen te laat, aansluitingen worden gemist. Maar die dag, zo vertelde Guy Mortier tijdens één van zijn vele televisieoptredens, die dag dus, was de trein op tijd, per ongeluk . Guy had ‘perrongeluk’ gehad. We lagen krom van het lachen. Het is maar een van de vele voorbeelden, hoe Guy Mortier grappig kan zijn en hoe hij kan spelen met taal. Guy Mortier is ook de bezieler geweest en de drijvende kracht achter Humo, een blad met een oplage die (althans tot voor kort) met verstomming sloeg. Toen Guy Mortier in 2003 met pensioen ging werd hij tijdens een festijn in het Sportpaleis door een massa van 12.000 zowaar heilig verklaard. De Vlaamse Gemeenschap voltooit nu dit proces van canonisering door hem de prijs voor Algemene Culturele Verdienste uit te reiken. Deze prijs ter waarde van 20.000 euro wordt toegekend door een jury, dit jaar voorgezeten door Jan Decleir. Deze looft Mortier wegens de diepgaande culturele invloed die hij als hoofdredacteur van Humo heeft gehad. Minister van Cultuur Joke Schauvlieghe noemt Guy Mortier een ‘fluwelen rebel’ voor wie geen grens veilig was . ‘Met taal en humor als punch heeft hij generaties jongeren kritisch gekneed’ zo verklaart ze verder. ‘Een primus inter pares’.
Maar het palmares van de fluwelen rebel oogt al bij al niet zo fraai. Humo was een ronduit cynisch en nihilistisch blad, mede bewerkstelliger en exponent van het tijdsgewricht zoals dat door Michel Houellebecq in ‘Elementaire deeltjes’ aan de kaak wordt gesteld. Hiervoor zou men nog begrip kunnen opbrengen. Wie de tijdsgeest vat en vorm geeft, verdient allicht een medaille. Maar als hoofdredacteur , die tevens de volledige eindredactie deed van zijn blad – hij las alle teksten na- is Guy Mortier tevens verantwoordelijk voor twee mediaschandalen waarin de grens van het ethisch aanvaardbare ver werd overschreden.
Zo is er vooreerst ‘de zaak notaris X’. In een uit de hand gelopen echtscheidingszaak wordt een Antwerpse notaris er door zijn echtgenote in 1983 van beschuldigd hun twee zoontjes seksueel te hebben misbruikt. De vrouw laat zich bijstaan door een oplichter en een psychiater. Hoewel het parket al in een vrij vroeg stadium te kennen geeft dat de man in kwestie onschuldig is, bijten Humo en De Morgen zich vast in deze zaak. De kwestie sleept zich gedurende jaren voort en leidt tot verschillende strafrechtelijke procedures. Uiteindelijk zou blijken dat de hele zaak verzonnen was. Niet alleen het gerecht, maar ook de twee zonen zouden, volwassen geworden, verklaren dat er van de hele zaak niets aan was. De zaak notaris X was geen kortstondige en eenmalige uitschuiver. Het betrof een jarenlang, tegen beter weten in aangehouden heksenjacht.
In juli 1998 zorgt Humo voor een nieuw dieptepunt van wansmaak. Deze keer met een artikel over een viervoudige zelfmoord in Kasterlee. Een moegetergd echtpaar besluit uit het leven te stappen en hun kinderen mee te nemen in de dood. De man stelt Humo een interview voor over de motieven van de voorgenomen zelfmoord. Het interview vindt plaats en vijf dagen later doodt de man zijn echtgenote , zijn kinderen en daarna zichzelf. De marketingmachine van Humo steekt van wal met de welbekende door Guy Mortier zelf ingesproken radiospot. Deze keer luidt die: ‘Gisteren nog aan gene zijde, vandaag in Humo’. Op de cover van het blad verschijnt de titel : ‘ De viervoudige zelfmoord in Kasterlee, Humo sprak met de daders’. Een storm van verontwaardiging breekt los. Ethici spreken van lijkenpikkerij. Humo draait en keert zich in alle bochten, maar voor hen is er uiteindelijk geen vuiltje aan de lucht.
Noch in de ene, noch in de andere zaak zou Mortier ooit fout erkennen, laat staan excuses aanbieden. Zo lang hij dat niet doet blijft hij voor mij, alle perrongeluk ten spijt, de man die verantwoordelijk tekent voor twee van de grootste mediaschandalen van de laatste decennia in Vlaanderen.

De ware betekenis van Gerard Mortiers erfenis

Dezer dagen grijpt menig opiniemaker de dood van Gerard Mortier aan om uit te halen naar het ‘onvruchtbare, angstige provincialisme’ van een bepaald soort Vlaanderen. Zo ook Paul Baeten Gronda in zijn column in Knack Focus van 19 maart 2014. ‘Wat kunnen we leren uit de dood van Jan Hoet en Gerard Mortier? ‘, zo begint Gronda. Volgen dan een paar alinea’s die hem doen besluiten dat we voor volgende tweesprong staan: ofwel kiezen we voor een wereld van het buitengewone en het schone, ofwel kiezen we voor Ben Weyts (van de N-VA (n.v.d.r.)) en een daarmee gepaard gaande wereld van ‘arme’, verwelkte geesten. Het een of het ander.

Om tot dat besluit te komen maakt Gronda een intentieproces. Hij haakt in op een concrete uitspraak van Weyts dat het systeem van tijdskrediet ‘niet dient om op wereldreis te gaan’. De wetgeving over tijdskrediet daarvan zegt Gronda dat hij die niet kent. Maar dat is ook niet nodig zo gaat hij verder, want ‘het gaat een politicus natuurlijk ook nooit om de concrete uitspraak maar wel om de boodschap die er in schuil gaat’. Die verdoken boodschap is volgens Gronda: ’We gaan niet werken om anderen van het rijkelijke systeem te laten …profiteren, …’. Vervolgens veralgemeent Gronda de aan Weyts toegedichte intentie tot de stelling dat Weyts geen belastinggeld wil besteden aan de kunsten überhaupt . Hij dicht Weyts immers het ‘waanidee’ toe ‘ dat er geen geld en tijd is voor gelijk welke soort verrijking’. Wat dan vervolgens tot de conclusie leidt: in dergelijke wereld worden mensen arme geesten. Gronda maakt hier een valse, bedrieglijke redenering, een drogredenering. Niets in de door Gronda aangehaalde context, noch in de werkelijkheid zelf laat immers toe te stellen dat Weyts geen belastinggeld zou veil hebben voor kunst .

In plaats van te peilen naar verdoken intenties zou Gronda de wetgeving op het tijdskrediet beter wel raadplegen. Vooreerst zou hij dan te weten komen waar tijdskrediet precies over gaat en dat er verschillende vormen van tijdskrediet bestaan . Hij zou dan merken dat de ene vorm van tijdskrediet al maatschappelijk relevanter is dan de andere en dat het een fundamenteel verschil uitmaakt of een gemeenschap voorkeuren van individuen subsidieert, dan wel of die gemeenschap opera en andere kunstuitingen subsidieert. Wanneer de gemeenschap individuen subsidieert dan heeft dit enkel nut voor die individuen zelf en hun naaste omgeving. (En dan hopen we nog maar dat onze wereldreiziger niet naar Thailand trekt om aan sekstoerisme te doen, maar dat is volgens Gronda misschien ‘jarenvijftigpaternalisme’). Wanneer opera of andere kunstuitingen gesubsidieerd worden heeft de hele samenleving daar voordeel van. Wanneer Ivo Van Hove in de Muntschouwburg ‘La Clemenza di Tito’ regisseert, genieten niet alleen de toeschouwers in de zaal daar van, maar ook, wanneer die opvoering digitaal gedeeld wordt, mensen in de huiskamer, op school, enz. Voor de goede verstaander: tegen deze laatste vorm van subsidiëring van kunst (economen spreken in dit geval van een verdienstegoed) heeft Ben Weyts geen bezwaar.
Uit Grondas column die aanvangt met de vraag: ‘Wat kunnen we leren uit de dood van Jan Hoet en Gerard Mortier?’ leer ik enkel dat Gronda zich inschrijft in een anti-Vlaamse pensée unique die enkel voortgaat op vooroordelen en intenties . En dat is jammer. Er is zo veel inhoud om bij stil te staan. Gronda zou zijn wekelijkse column kunnen gebruiken om zijn (meestal jongere) lezers van Knack Focus warm te maken voor de schoonheid en de diepe gelaagdheid van de opera’s van componisten als Mozart, Verdi en Wagner. Misschien is dat de betekenis van Mortiers erfenis.
De tekst van Grondas column https://nl-nl.facebook.com/notes/paul-baeten-gronda/grrronda-vlak-voor-onze-voeten-focus-knack/10151862362221116

Herinneringen aan Gerard Mortier

Ergens in het najaar   van 1981 was ik er bij toen Gerard Mortier in het Stuc te Leuven zijn  opwachting maakte. Het Stuc organiseerde een debatreeks over de vraag of kunst nog wel kon in tijden van crisis. Het eerste debat  zou gaan over opera. Eerder dat jaar had ik met opera kennis gemaakt, aanvankelijk door er naar te luisteren en later met een eerste opvoering bij te wonen in de Munt. Opvallend vond ik het hoe amateuristisch  het er toen aan toe ging.  Ik was benieuwd naar het debat in  het Stuc, te meer daar we kennis konden maken met de nieuwe intendant van De Munt , Gerard Mortier dus.  Dertig, veertig man op de publiekstrappen en beneden drie stoelen en een grote muziekbox. Dat  was de setting.  Mortier had het gezelschap  van Erna Metdepenninghen en Eric De Kuyper. Nadat de organisator het thema had aangekondigd en de sprekers voorgesteld nam Mortier het woord. ‘Ik heb  helemaal geen zin om over centenkwesties  te discussiëren’,  zo stelde hij. ‘Opera kan en moet, ook in tijden van crisis’. Mortier zou die avond enkel spreken als hij over opera mocht  vertellen. En zo  geschiedde. Wij werden ingeleid in de wondere wereld van de opera. Mortier vertelde honderduit, Metdepenninghen en De Kuyper vulden gretig aan. Veel kwam aan bod, ook het sterven. ‘We  moffelen dat vandaag te veel weg’, zo stelde Mortier. ‘In de opera daar weten ze tenminste wat  sterven is. Nergens wordt zo mooi gestorven als in de opera’. We smolten helemaal weg.

Mortier zou zijn entree in de Munt ook vieren met Don Carlo van Verdi. Een opera over de   Vlamingen en de inquisitie . Het libretto werd er bijgehaald  en de dialoog tussen Filips de tweede  en de grootinquisiteur werd tot twee keer toe afgespeeld en becommentarieerd. In de Munt zouden Van Dam en Bastin (Mortier nodigde die avond alle aanwezigen  uit) de vertolkers zijn. Indrukwekkend! Ik bleef naar de Munt gaan en ook naar andere operahuizen  en zag het verschil. Rond de bezoeken aan de opera bouwden we  een vriendenkring. Een  absoluut hoogtepunt was voor mij de Tristan in 1985. Gwyneth Jones zong  de hoofdrol. Driemaal op rij zag ik haar sterven.

De laatste jaren zou mijn sympathie voor  Mortier bekoelen. Politiek volgde  ik hem niet. En hij werd bitter . Rancuneus? Zijn Claus-lezing in de Bourla  was sloganesk, de nuance was zoek.  Maar dat doet niets af aan mijn dankbaarheid. Die blijft.

Don Carlo is een bij uitstek Europese opera. Gecomponeerd door een Italiaan, in een officiële Franse en Italiaanse versie. Gebaseerd op een toneelstuk van een Duitser (Schiller), over Spanje, de Nederlanden  en met in de hoofdrollen het   opstandige Vlaanderen, alsook  een  dochter van Catharina De Medici . Een opera ook over vrijheid en liefde , veel liefde , onmogelijke liefde, gesublimeerde liefde. En sterven  in schoonheid. Leven is leren sterven. Gerard, bedankt.