Guy Mortier was geen heilige.

Guy Mortier

De gebrekkige dienstverlening van de Nationale Maatschappij van de Belgische Spoorwegen dateert niet van vandaag. Treinen komen te laat, aansluitingen worden gemist. Maar die dag, zo vertelde Guy Mortier tijdens één van zijn vele televisieoptredens, die dag dus, was de trein op tijd, per ongeluk . Guy had ‘perrongeluk’ gehad. We lagen krom van het lachen. Het is maar een van de vele voorbeelden, hoe Guy Mortier grappig kan zijn en hoe hij kan spelen met taal. Guy Mortier is ook de bezieler geweest en de drijvende kracht achter Humo, een blad met een oplage die (althans tot voor kort) met verstomming sloeg. Toen Guy Mortier in 2003 met pensioen ging werd hij tijdens een festijn in het Sportpaleis door een massa van 12.000 zowaar heilig verklaard. De Vlaamse Gemeenschap voltooit nu dit proces van canonisering door hem de prijs voor Algemene Culturele Verdienste uit te reiken. Deze prijs ter waarde van 20.000 euro wordt toegekend door een jury, dit jaar voorgezeten door Jan Decleir. Deze looft Mortier wegens de diepgaande culturele invloed die hij als hoofdredacteur van Humo heeft gehad. Minister van Cultuur Joke Schauvlieghe noemt Guy Mortier een ‘fluwelen rebel’ voor wie geen grens veilig was . ‘Met taal en humor als punch heeft hij generaties jongeren kritisch gekneed’ zo verklaart ze verder. ‘Een primus inter pares’.
Maar het palmares van de fluwelen rebel oogt al bij al niet zo fraai. Humo was een ronduit cynisch en nihilistisch blad, mede bewerkstelliger en exponent van het tijdsgewricht zoals dat door Michel Houellebecq in ‘Elementaire deeltjes’ aan de kaak wordt gesteld. Hiervoor zou men nog begrip kunnen opbrengen. Wie de tijdsgeest vat en vorm geeft, verdient allicht een medaille. Maar als hoofdredacteur , die tevens de volledige eindredactie deed van zijn blad – hij las alle teksten na- is Guy Mortier tevens verantwoordelijk voor twee mediaschandalen waarin de grens van het ethisch aanvaardbare ver werd overschreden.
Zo is er vooreerst ‘de zaak notaris X’. In een uit de hand gelopen echtscheidingszaak wordt een Antwerpse notaris er door zijn echtgenote in 1983 van beschuldigd hun twee zoontjes seksueel te hebben misbruikt. De vrouw laat zich bijstaan door een oplichter en een psychiater. Hoewel het parket al in een vrij vroeg stadium te kennen geeft dat de man in kwestie onschuldig is, bijten Humo en De Morgen zich vast in deze zaak. De kwestie sleept zich gedurende jaren voort en leidt tot verschillende strafrechtelijke procedures. Uiteindelijk zou blijken dat de hele zaak verzonnen was. Niet alleen het gerecht, maar ook de twee zonen zouden, volwassen geworden, verklaren dat er van de hele zaak niets aan was. De zaak notaris X was geen kortstondige en eenmalige uitschuiver. Het betrof een jarenlang, tegen beter weten in aangehouden heksenjacht.
In juli 1998 zorgt Humo voor een nieuw dieptepunt van wansmaak. Deze keer met een artikel over een viervoudige zelfmoord in Kasterlee. Een moegetergd echtpaar besluit uit het leven te stappen en hun kinderen mee te nemen in de dood. De man stelt Humo een interview voor over de motieven van de voorgenomen zelfmoord. Het interview vindt plaats en vijf dagen later doodt de man zijn echtgenote , zijn kinderen en daarna zichzelf. De marketingmachine van Humo steekt van wal met de welbekende door Guy Mortier zelf ingesproken radiospot. Deze keer luidt die: ‘Gisteren nog aan gene zijde, vandaag in Humo’. Op de cover van het blad verschijnt de titel : ‘ De viervoudige zelfmoord in Kasterlee, Humo sprak met de daders’. Een storm van verontwaardiging breekt los. Ethici spreken van lijkenpikkerij. Humo draait en keert zich in alle bochten, maar voor hen is er uiteindelijk geen vuiltje aan de lucht.
Noch in de ene, noch in de andere zaak zou Mortier ooit fout erkennen, laat staan excuses aanbieden. Zo lang hij dat niet doet blijft hij voor mij, alle ‘perrongeluk’ ten spijt, de man die verantwoordelijk tekent voor twee van de grootste mediaschandalen van de laatste decennia in Vlaanderen.

De ware betekenis van Gerard Mortiers erfenis

Dezer dagen grijpt menig opiniemaker de dood van Gerard Mortier aan om uit te halen naar het ‘onvruchtbare, angstige provincialisme’ van een bepaald soort Vlaanderen. Zo ook Paul Baeten Gronda in zijn column in Knack Focus van 19 maart 2014. ‘Wat kunnen we leren uit de dood van Jan Hoet en Gerard Mortier? ‘, zo begint Gronda. Volgen dan een paar alinea’s die hem doen besluiten dat we voor volgende tweesprong staan: ofwel kiezen we voor een wereld van het buitengewone en het schone, ofwel kiezen we voor Ben Weyts (van de N-VA (n.v.d.r.)) en een daarmee gepaard gaande wereld van ‘arme’, verwelkte geesten. Het een of het ander.

Om tot dat besluit te komen maakt Gronda een intentieproces. Hij haakt in op een concrete uitspraak van Weyts dat het systeem van tijdskrediet ‘niet dient om op wereldreis te gaan’. De wetgeving over tijdskrediet daarvan zegt Gronda dat hij die niet kent. Maar dat is ook niet nodig zo gaat hij verder, want ‘het gaat een politicus natuurlijk ook nooit om de concrete uitspraak maar wel om de boodschap die er in schuil gaat’. Die verdoken boodschap is volgens Gronda: ’We gaan niet werken om anderen van het rijkelijke systeem te laten …profiteren, …’. Vervolgens veralgemeent Gronda de aan Weyts toegedichte intentie tot de stelling dat Weyts geen belastinggeld wil besteden aan de kunsten überhaupt . Hij dicht Weyts immers het ‘waanidee’ toe ‘ dat er geen geld en tijd is voor gelijk welke soort verrijking’. Wat dan vervolgens tot de conclusie leidt: in dergelijke wereld worden mensen arme geesten. Gronda maakt hier een valse, bedrieglijke redenering, een drogredenering. Niets in de door Gronda aangehaalde context, noch in de werkelijkheid zelf laat immers toe te stellen dat Weyts geen belastinggeld zou veil hebben voor kunst .

In plaats van te peilen naar verdoken intenties zou Gronda de wetgeving op het tijdskrediet beter wel raadplegen. Vooreerst zou hij dan te weten komen waar tijdskrediet precies over gaat en dat er verschillende vormen van tijdskrediet bestaan . Hij zou dan merken dat de ene vorm van tijdskrediet al maatschappelijk relevanter is dan de andere en dat het een fundamenteel verschil uitmaakt of een gemeenschap voorkeuren van individuen subsidieert, dan wel of die gemeenschap opera en andere kunstuitingen subsidieert. Wanneer de gemeenschap individuen subsidieert dan heeft dit enkel nut voor die individuen zelf en hun naaste omgeving. (En dan hopen we nog maar dat onze wereldreiziger niet naar Thailand trekt om aan sekstoerisme te doen, maar dat is volgens Gronda misschien ‘jarenvijftigpaternalisme’). Wanneer opera of andere kunstuitingen gesubsidieerd worden heeft de hele samenleving daar voordeel van. Wanneer Ivo Van Hove in de Muntschouwburg ‘La Clemenza di Tito’ regisseert, genieten niet alleen de toeschouwers in de zaal daar van, maar ook, wanneer die opvoering digitaal gedeeld wordt, mensen in de huiskamer, op school, enz. Voor de goede verstaander: tegen deze laatste vorm van subsidiëring van kunst (economen spreken in dit geval van een verdienstegoed) heeft Ben Weyts geen bezwaar.
Uit Grondas column die aanvangt met de vraag: ‘Wat kunnen we leren uit de dood van Jan Hoet en Gerard Mortier?’ leer ik enkel dat Gronda zich inschrijft in een anti-Vlaamse pensée unique die enkel voortgaat op vooroordelen en intenties . En dat is jammer. Er is zo veel inhoud om bij stil te staan. Gronda zou zijn wekelijkse column kunnen gebruiken om zijn (meestal jongere) lezers van Knack Focus warm te maken voor de schoonheid en de diepe gelaagdheid van de opera’s van componisten als Mozart, Verdi en Wagner. Misschien is dat de betekenis van Mortiers erfenis.
De tekst van Grondas column https://nl-nl.facebook.com/notes/paul-baeten-gronda/grrronda-vlak-voor-onze-voeten-focus-knack/10151862362221116

Herinneringen aan Gerard Mortier

Ergens in het najaar   van 1981 was ik er bij toen Gerard Mortier in het Stuc te Leuven zijn  opwachting maakte. Het Stuc organiseerde een debatreeks over de vraag of kunst nog wel kon in tijden van crisis. Het eerste debat  zou gaan over opera. Eerder dat jaar had ik met opera kennis gemaakt, aanvankelijk door er naar te luisteren en later met een eerste opvoering bij te wonen in de Munt. Opvallend vond ik het hoe amateuristisch  het er toen aan toe ging.  Ik was benieuwd naar het debat in  het Stuc, te meer daar we kennis konden maken met de nieuwe intendant van De Munt , Gerard Mortier dus.  Dertig, veertig man op de publiekstrappen en beneden drie stoelen en een grote muziekbox. Dat  was de setting.  Mortier had het gezelschap  van Erna Metdepenninghen en Eric De Kuyper. Nadat de organisator het thema had aangekondigd en de sprekers voorgesteld nam Mortier het woord. ‘Ik heb  helemaal geen zin om over centenkwesties  te discussiëren’,  zo stelde hij. ‘Opera kan en moet, ook in tijden van crisis’. Mortier zou die avond enkel spreken als hij over opera mocht  vertellen. En zo  geschiedde. Wij werden ingeleid in de wondere wereld van de opera. Mortier vertelde honderduit, Metdepenninghen en De Kuyper vulden gretig aan. Veel kwam aan bod, ook het sterven. ‘We  moffelen dat vandaag te veel weg’, zo stelde Mortier. ‘In de opera daar weten ze tenminste wat  sterven is. Nergens wordt zo mooi gestorven als in de opera’. We smolten helemaal weg.

Mortier zou zijn entree in de Munt ook vieren met Don Carlo van Verdi. Een opera over de   Vlamingen en de inquisitie . Het libretto werd er bijgehaald  en de dialoog tussen Filips de tweede  en de grootinquisiteur werd tot twee keer toe afgespeeld en becommentarieerd. In de Munt zouden Van Dam en Bastin (Mortier nodigde die avond alle aanwezigen  uit) de vertolkers zijn. Indrukwekkend! Ik bleef naar de Munt gaan en ook naar andere operahuizen  en zag het verschil. Rond de bezoeken aan de opera bouwden we  een vriendenkring. Een  absoluut hoogtepunt was voor mij de Tristan in 1985. Gwyneth Jones zong  de hoofdrol. Driemaal op rij zag ik haar sterven.

De laatste jaren zou mijn sympathie voor  Mortier bekoelen. Politiek volgde  ik hem niet. En hij werd bitter . Rancuneus? Zijn Claus-lezing in de Bourla  was sloganesk, de nuance was zoek.  Maar dat doet niets af aan mijn dankbaarheid. Die blijft.

Don Carlo is een bij uitstek Europese opera. Gecomponeerd door een Italiaan, in een officiële Franse en Italiaanse versie. Gebaseerd op een toneelstuk van een Duitser (Schiller), over Spanje, de Nederlanden  en met in de hoofdrollen het   opstandige Vlaanderen, alsook  een  dochter van Catharina De Medici . Een opera ook over vrijheid en liefde , veel liefde , onmogelijke liefde, gesublimeerde liefde. En sterven  in schoonheid. Leven is leren sterven. Gerard, bedankt.